Betrokkene ontving tot 1 juli 2017 individuele begeleiding van 2,5 uur per week, later verhoogd naar 3 uur. Bij besluit van 16 oktober 2018 wijzigde het college de toekenning: begeleiding werd niet langer in uren toegekend, maar in een te behalen resultaat met een vast bedrag per vier weken. Betrokkene maakte bezwaar, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, omdat de maatwerkvoorziening onvoldoende was geconcretiseerd.
Het college stelde in hoger beroep dat flexibiliteit bij begeleiding essentieel is en dat de frequentie van activiteiten voldoende duidelijkheid biedt. De Raad oordeelde echter dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat cliënten en aanbieders weten hoeveel tijd aan begeleiding wordt verstrekt. Het enkel toekennen van een resultaat zonder tijdsindicatie voldoet hier niet aan.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, oordeelde dat het college geen deugdelijk onderzoek naar de omvang van de ondersteuningsbehoefte had verricht en onvoldoende had gemotiveerd waarom de maatwerkvoorziening passend was. De Raad gaf het college de opdracht een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanspraken uit de Indicatiewijzer 2014. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en griffierecht geheven.