Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
2.De beoordeling
:
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster werkte sinds 2018 als coördinator van naaiateliers voor de coöperatie [verweerster01]. Ondanks het bestaan van overeenkomsten van opdracht met zowel de coöperatie als Verloning, oordeelt de kantonrechter dat feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en de coöperatie. Verzoekster stelde dat er sprake was van een payrollovereenkomst met Verloning als formele werkgever en de coöperatie als materiële werkgever, en dat haar rechten waren overgegaan op OTF na een overgang van onderneming. Deze stellingen werden verworpen.
De kantonrechter baseert het oordeel op de Haviltex-toets en recente jurisprudentie, waaronder de Deliveroo-uitspraak van de Hoge Raad. De werkzaamheden, loonbetaling, duur en feitelijke uitvoering wezen op een arbeidsovereenkomst met de coöperatie. Er was geen bewijs van overgang van onderneming of opvolgend werkgeverschap naar OTF, en geen arbeidsovereenkomst met Verloning of OTF.
Verzoekster was sinds februari 2023 ziek en ontving geen loon meer. De kantonrechter veroordeelt de coöperatie tot betaling van het loon vanaf maart 2023 en tot toelating tot passende werkzaamheden. Verzoeken om dwangsommen, vernietiging van opzegging en vergoedingen werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart de overeenkomst arbeidsovereenkomst en veroordeelt de coöperatie tot loonbetaling en toelating tot werk.