ECLI:NL:RBROT:2023:12783

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 september 2023
Publicatiedatum
2 februari 2024
Zaaknummer
10667502
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 7:625 lid 1 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering en nevenvorderingen in kort geding wegens niet-betaald loon

Eiseres werkte voor gedaagde in diens horecagelegenheid tot de sluiting in mei 2023, maar de arbeidsovereenkomst eindigde niet. Zij vordert doorbetaling van loon over mei tot en met augustus 2023, correctie van te weinig uitbetaald loon over maart en april 2023, vakantietoeslag en wettelijke verhogingen. Gedaagde is niet verschenen, verstek is verleend.

De kantonrechter oordeelt dat eiseres spoedeisend belang heeft en wijst de loonvordering van €12.025,20 bruto toe, evenals de vakantietoeslag van €1.924,- bruto. De te weinig uitbetaalde netto loon van €1.841,64 wordt eveneens toegewezen. De wettelijke verhoging wordt slechts gedeeltelijk toegewezen (15%) vanwege het risico dat het volledige bedrag in een gewone procedure niet standhoudt.

De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd, vastgesteld op €744,85 tot de datum van het vonnis, met een voorschot voor toekomstige kosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Andere vorderingen worden afgewezen.

Het vonnis is gewezen door kantonrechter S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2023.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van loon, vakantietoeslag, wettelijke verhoging en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10667502 VV EXPL 23-412
datum uitspraak: 22 september 2023
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,
tegen
[gedaagde01] h.o.d.n. [handelsnaam01],
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 31 augustus 2023, met bijlagen.
1.2.
Op 8 september 2023 is de zaak tijdens een zitting met mr. Fakiri besproken. [gedaagde01] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van [eiseres01] volgt dat deze spoed aanwezig is. Uit de stellingen komt naar voren dat [eiseres01] gewerkt heeft voor [gedaagde01] in zijn horecagelegenheid totdat het etablissement dicht ging in mei 2023. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is echter niet geëindigd. [eiseres01] maakt om die reden aanspraak op doorbetaling van loon. Zij stelt gedurende 165 uur per maand tegen een loon van € 18,22 bruto per uur te hebben gewerkt, wat neerkomt op € 3.006,30 bruto per maand. Over de periode van mei tot en met augustus 2023 gaat het om € 12.025,20 bruto. Daarnaast is in de maanden maart en april 2023 € 1.841,64 netto te weinig loon uitbetaald. Dat is niet weersproken en toewijsbaar. Anders wordt geoordeeld over de rest van de eis, want die is deels onrechtmatig of ongegrond (artikel 139 Rv Pro). Hierover het volgende.
2.2.
Naast voormelde loonbedragen eist [eiseres01] veroordeling van [gedaagde01] tot betaling aan haar van € 1.924,- bruto aan vakantietoeslag over de maanden januari tot en met augustus 2023 en € 147,- netto aan vakantietoeslag over het te weinig uitbetaalde loon in de maanden maart en april 2023. Als daarin wordt meegegaan dan zal [eiseres01] teveel vakantietoeslag krijgen over het loon in de maanden maart en april 2023. Daarom wordt alleen het bedrag van € 1.924,- bruto aan vakantietoeslag toegewezen.
2.3.
De geëiste bedragen aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 lid 1 BW Pro worden deels afgewezen. Daarmee verband houdende bedragen worden dikwijls beperkt tot 15%. Daarom is de kans zeer reëel dat dit deel van de eis in een gewone procedure geen stand houdt, met restitutierisico tot gevolg. Vandaar dat slechts 15% aan wettelijke verhoging wordt toegewezen. Het gaat om € 2.092,38 bruto (15% van € 12.025,20 en
€ 1.924,- bruto) en € 276,25 netto (15% van € 1.841,64 netto).
2.4.
[eiseres01] krijgt grotendeels gelijk. [gedaagde01] moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres01] tot vandaag vast op € 129,85 aan dagvaardingskosten, € 86,- aan griffierecht en € 529,- aan salaris voor de gemachtigde. Dit is totaal € 744,85. Voor kosten die [eiseres01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 132,- Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiseres01] te betalen
€ 12.025,20 bruto aan loon over de maanden mei, juni, juli en augustus 2023;
€ 1.924,- bruto aan vakantietoeslag over het loon van de maanden januari tot en met augustus 2023;
€ 2.092,38 bruto aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro over de onder a en b genoemde bedragen;
€ 1.841,64 netto aan te weinig uitbetaald loon over de maanden maart en april 2023;
€ 276,25 netto aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro over het onder d genoemde bedrag;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres01] tot vandaag worden vastgesteld op € 744,85;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465