De zaak betreft een beroep van een pluimveehouder tegen een boete van €4.500,- opgelegd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wegens overtreding van de Wet dieren. De boete is gebaseerd op een rapport van de NVWA waarin een vangletselpercentage van 3,4% werd vastgesteld, wat de interventiegrens van 2% overschrijdt.
De toezichthouder constateerde ernstige bloedingen bij kuikens die tijdens het vangen waren ontstaan, wat volgens deskundigen leidde tot onnodige pijn en stress. De houder werd verantwoordelijk gehouden omdat hij niet zorgde voor naleving van dierenwelzijnsvoorschriften tijdens het vangen. De rechtbank oordeelt dat het rapport betrouwbaar is en dat de bevindingen niet worden weersproken door de betwisting van eiser.
Hoewel eiser aanvoert dat de boete niet proportioneel is en dat letsel ook tijdens transport kan zijn ontstaan, acht de rechtbank dit onvoldoende onderbouwd. De boete is verhoogd wegens recidive, wat volgens de rechtbank gerechtvaardigd is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er volgt geen proceskostenveroordeling.