ECLI:NL:RBROT:2023:7311

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 augustus 2023
Publicatiedatum
17 augustus 2023
Zaaknummer
ROT 22/6127 V
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • E.J.B. van Elden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67, eerste lid, AWRArt. 8:39, tweede lid, AwbArt. 8:41, zesde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens misbruik van recht en griffierechtbetaling

In deze bestuursrechtelijke verzetzaak staat centraal of de rechtbank terecht het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht. Opposant had beroep ingesteld tegen een besluit van de Staatssecretaris van Financiën waarin een verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid werd afgewezen vanwege artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De rechtbank Rotterdam onderzocht ambtshalve of opposant misbruik maakte van recht, mede gelet op zijn veelvuldige en herhaalde procedures, waarbij steeds een beroep op betalingsonmacht werd gedaan. De rechtbank constateerde dat opposant herhaaldelijk onherroepelijke uitkeringsbeslissingen aanvocht, procedures voerde over fiscale kwalificaties en wrakingsinstrumenten misbruikte. Ook werden tegen procesdeelnemers en rechters aangiftes gedaan wegens valsheid in geschrift of daarmee gedreigd.

De rechtbank wees erop dat opposant eerder was gewaarschuwd dat onduidelijke en herhaalde verzoeken zonder nieuwe feiten kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid wegens misbruik van recht. Ondanks waarschuwingen bleef opposant grote hoeveelheden stukken indienen, vaak zonder nieuwe gronden of koppeling aan bestaande zaken. De rechtbank concludeerde dat opposant in kwade trouw handelde en daarom geen beroep kon doen op betalingsonmacht voor het griffierecht.

De verzetrechter bevestigde dat de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en het verzet ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet is ongegrond en het beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht en niet betaling van griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/6127 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2023 op het verzet van

[Naam], te [Plaats], opposant,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 april 2023 in het geding tussen opposant en
de Staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris).

Inleiding en procesverloop

1. In deze verzetzaak ligt de vraag voor of de rechtbank het beroep terecht vereenvoudigd heeft afgedaan door het beroep van opposant zonder zitting niet-ontvankelijk te verklaren omdat opposant in verzuim is het verschuldigde griffierecht te voldoen.
2. Bij besluit op bezwaar van 27 oktober 2022 heeft de Staatssecretaris het primaire besluit van 9 september 2022, waarbij de aanvraag van opposant om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) is afgewezen, gehandhaafd. De reden dat de gevraagde informatie niet wordt vertrekt is dat artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) daar aan in de weg staat.
3. Opposant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Nadat de griffier van die rechtbank opposant heeft meegedeeld dat hij voorlopig van mening is dat opposant voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht zodat vooralsnog wordt afgezien van het heffen van griffierecht, heeft de griffier van die rechtbank het dossier naar deze rechtbank gezonden omdat die gelet op de woonplaats van opposant bevoegd is.
4. De griffier van deze rechtbank heeft opposant bij brief van 2 januari 2023 bericht dat de rechtbank gelet op de grote hoeveelheid procedures van opposant en zijn procedeergedrag voorshands uitgaat van misbruik van recht, zodat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen. Vervolgens zijn griffierechtnota’s naar opposant verstuurd, maar is betaling ervan achterwege gebleven.
5. Gelet hierop heeft de rechtbank bij uitspraak van 13 april 2023 het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
6. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
7. Opposant heeft niet verzocht om een hoorzitting in verzet en de rechtbank ziet ook geen aanleiding daartoe.

Beoordeling

8. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.
9. Uit de stukken bij het verzetschrift, dat geen gronden bevat, leidt de verzetrechter af dat opposant meent dat de rechtspraak en de rest van de overheid tegen hem samenspannen.
10. De verzetrechter ziet aanleiding om ambtshalve te onderzoeken of opposant misbruik maakt van recht en hem om die reden in deze zaak terecht geen ontheffing van het griffierecht is verleend, ook al is sprake van betalingsonmacht (ECLI:NL:RVS:2016:2730).
11. Opposant procedeert veelvuldig en doet daarbij telkens een beroep op betalingsonmacht. Een groot deel daarvan ziet op herhaalde herzieningsverzoeken bij de bestuursrechter van onherroepelijke uitkeringsbeslissingen die begin deze eeuw zijn genomen (zie ECLI:NL:RBROT:2020:3876). Ook heeft opposant veelvuldig geprocedeerd over de fiscale kwalificatie van zijn uitkering (zie ECLI:NL:GHDHA:2020:2909). Verder doet opposant veelvuldig een beroep op de bestuursrechter in zaken waarin de bestuursrechter niet bevoegd is (bijv. ECLI:NL:RBROT:2021:621 en ECLI:NL:RBROT:2021:9022). Ook is meermaals geoordeeld dat opposant het instrument van wraking heeft misbruikt (bijv. ECLI:NL:CRVB:2023:577; ECLI:NL:RBDHA:2017:16344 en ECLI:NL:RBROT:2020:9081). Opposant heeft nadat procedures niet in zijn voordeel uitpakten tegen procesdeelnemers en ook twee rechters aangifte gedaan wegens valsheid in geschrift of daarmee gedreigd (zie ECLI:NL:RBROT:2020:5190; ECLI:NL:RBROT:2022:7618 (ongepubliceerd) en ECLI:NL:RBGEL:2023:2438 (ongepubliceerd) en ECLI:NL:RBDHA:2023:6564 (ongepubliceerd)).
12. De rechtbank heeft opposant er eerder op gewezen dat, indien hij doorgaat met het indienen van onduidelijke verzoeken en beroepen in zaken waarover al meermaals uitspraak is gedaan zonder dat daarbij relevante nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, die verzoeken of beroepen mogelijk niet-ontvankelijk zullen worden verklaard vanwege misbruik van recht (ECLI:NL:RBROT:2020:3876 en ECLI:NL:RBROT:2020:5190). In een aantal gevallen is vervolgens al geoordeeld dat opposant misbruik maakt van recht en hij daarom geen ontheffing van betaling van griffierecht meer krijgt (bijv. ECLI:NL:RBROT:2021:9003 en ECLI:NL:RBROT:2021:9004).
13. Ook is toepassing gegeven aan artikel 8:39, tweede lid, van de Awb nadat opposant grote hoeveelheden stukken indiende in al dan niet aanhangige zaken, zodat een deel van die stukken niet aan het bestuursorgaan is verzonden, maar ter inzage is gelegd bij de griffie (zie daarover ECLI:NL:RBROT:2021:9022). Omdat opposant grote hoeveelheden stukken bleef indienen, zonder dat die aan een bestaande of nieuwe zaak kon worden gekoppeld of waarvan duidelijk was dat opposant daarover was uitgeprocedeerd, is besloten in die gevallen geen zaak meer aan te leggen. Opposant is hierover door de griffier schriftelijk bericht.
14. In het licht van het voorgaande moet ook de voorliggende zaak worden bezien. De verzetrechter ziet daarom aanleiding om het belang van opposant bij het beroep, de slaagkans ervan en de wijze van procederen van opposant in deze zaak te betrekken.
15. De Staatssecretaris heeft in zijn besluitvorming gemotiveerd uiteengezet dat artikel 67, eerste lid, van de AWR in de weg staat aan het verstrekken van de gevraagde documenten.
16. In beroep heeft opposant volstaan met het indienen van grote hoeveelheden stukken en heeft hij geen gronden aangevoerd die aan de inhoud van de voorliggende zaak raken. De verzetrechter gaat daarom uit van kwade trouw van opposant bij het instellen van beroep in deze zaak.
17. Gelet op het voorgaande is de verzetrechter van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft geacht wegens het verzuim van opposant om griffierecht te voldoen (artikel 8:41, zesde lid, van de Awb), omdat hij wegens misbruik van recht geen beroep toekomt op betalingsonmacht.
18. Het verzet is daarom ongegrond.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.B. van Elden, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2023.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.