ECLI:NL:RBROT:2024:1867
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens motiveringsgebrek en vertrouwensbeginsel niet geslaagd
Eiser diende op 12 november 2021 een verzoek tot naturalisatie in bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit verzoek werd primair op 6 december 2022 afgewezen vanwege gerede twijfel over de juistheid van de opgegeven nationaliteit en identiteit. Het bezwaar van eiser werd met het bestreden besluit van 11 juli 2023 ongegrond verklaard. Eiser voerde beroep aan tegen deze afwijzing en stelde dat hij op basis van een Koninklijk Besluit (KB) van 25 maart 2022 en de bijbehorende bekendmaking door de IND mocht vertrouwen op verlening van het Nederlanderschap.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris ten onrechte had gesteld dat het Nederlanderschap niet kan worden verkregen via een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bij verlening zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Dit vormde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, waardoor het beroep gegrond is en het besluit vernietigd wordt.
Echter, het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de bekendmaking van de IND niet kan worden toegerekend aan de Staatssecretaris en er aanwijzingen waren dat de naturalisatieprocedure van eiser nog niet was afgerond. Ook het beroep op afwijking van de Handleiding RWN op grond van artikel 4:84 Awb Pro slaagde niet, omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond.
De rechtbank handhaafde daarom de afwijzing van het naturalisatieverzoek en veroordeelde de Staatssecretaris tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de afwijzing van het naturalisatieverzoek blijft in stand.