Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], verblijvende in [plaatsnaam], verzoekster
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Conclusie en gevolgen
Beslissing
.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een aanvraag om toelating tot maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 ingediend, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen. De afwijzing berustte op het oordeel dat verzoekster zich met gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg en hulp vanuit haar sociale netwerk kan handhaven in de samenleving en zelf voor onderdak kan zorgen. Tevens was er aanvankelijk geen geldige verblijfsvergunning.
Verzoekster betoogde dat zij niet in staat is zelfstandig voor onderdak te zorgen voor zichzelf en haar minderjarige zoon en dat het college een positieve verplichting heeft tot opvang op grond van het EVRM en het IVRK. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel een spoedeisend belang is omdat Stichting ROS de opvangplek wil beëindigen, maar dat verzoekster inmiddels verblijfsrecht heeft als familielid van een EU-burger en daarmee tot de rechthebbenden op Wmo 2015 behoort.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster zich met hulp en voorzieningen redelijkerwijs kan handhaven, zoals blijkt uit haar verblijfsdocument, bijstandsuitkering, woonpas, zorgverzekering, opleiding en stageplaats. Haar huisvestingsprobleem is vooral het gevolg van woningnood. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro faalde omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die een positieve opvangplicht opleggen. Wel was er een motiveringsgebrek omtrent het belang van het kind, maar het college gaf aan dit nader te motiveren in het bezwaar.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De voorzieningenrechter erkende de moeilijke situatie van verzoekster en haar zoon, maar oordeelde dat het college niet verplicht is tot opvang op grond van de Wmo 2015. Vergoeding van griffierecht of proceskosten werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college hoeft geen maatschappelijke opvang te verlenen.