ECLI:NL:RBROT:2024:3891

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2024
Publicatiedatum
30 april 2024
Zaaknummer
ROT 24/3834
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 Wmo 2015Art. 1.2.1 Wmo 2015Art. 8 EVRMArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening maatschappelijke opvang voor verzoekster met minderjarig kind

Verzoekster heeft een aanvraag om toelating tot maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 ingediend, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen. De afwijzing berustte op het oordeel dat verzoekster zich met gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg en hulp vanuit haar sociale netwerk kan handhaven in de samenleving en zelf voor onderdak kan zorgen. Tevens was er aanvankelijk geen geldige verblijfsvergunning.

Verzoekster betoogde dat zij niet in staat is zelfstandig voor onderdak te zorgen voor zichzelf en haar minderjarige zoon en dat het college een positieve verplichting heeft tot opvang op grond van het EVRM en het IVRK. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel een spoedeisend belang is omdat Stichting ROS de opvangplek wil beëindigen, maar dat verzoekster inmiddels verblijfsrecht heeft als familielid van een EU-burger en daarmee tot de rechthebbenden op Wmo 2015 behoort.

De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster zich met hulp en voorzieningen redelijkerwijs kan handhaven, zoals blijkt uit haar verblijfsdocument, bijstandsuitkering, woonpas, zorgverzekering, opleiding en stageplaats. Haar huisvestingsprobleem is vooral het gevolg van woningnood. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro faalde omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die een positieve opvangplicht opleggen. Wel was er een motiveringsgebrek omtrent het belang van het kind, maar het college gaf aan dit nader te motiveren in het bezwaar.

Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De voorzieningenrechter erkende de moeilijke situatie van verzoekster en haar zoon, maar oordeelde dat het college niet verplicht is tot opvang op grond van de Wmo 2015. Vergoeding van griffierecht of proceskosten werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college hoeft geen maatschappelijke opvang te verlenen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/3834

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2024 in de zaak tussen

[verzoekster], verblijvende in [plaatsnaam], verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Benali),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. A. Zonneveld).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het bezwaar tegen de afwijzing van
4 maart 2024 van haar aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college en [naam], coördinator bij Stichting ROS.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster in staat wordt geacht om zich op eigen kracht, met de gebruikelijke voorzieningen, met mantelzorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Verzoekster dient daarom zelf te voorzien in haar onderdak en dat van haar kind. Daarnaast heeft het college de aanvraag afwezen omdat uit onderzoek is gebleken dat verzoekster geen geldige verblijfsvergunning heeft.
3. Verzoekster stelt dat zij de thuissituatie in Suriname op 28 augustus 2022 heeft verlaten en dat zij niet in staat is zich op eigen kracht in Nederland te handhaven en in onderdak voor haarzelf en haar minderjarig zoon (geboren in 2018) te voorzien. In haar netwerk kan zij bij niemand terecht. Uit haar situatie vloeit voor het college de positieve verplichting voort om haar maatschappelijke opvang te bieden. Verzoekster doet daarbij een beroep op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van Pro het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 augustus 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:3941).
4.1.
Anders dan het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat enig spoedeisend belang niet aan verzoekster kan worden ontzegd. Stichting ROS (Rotterdams ongedocumenteerden steunpunt) heeft verzoekster op 19 april 2024 meegedeeld dat de maximale verlenging van haar verblijf is bereikt en heeft haar verzocht de opvang te verlaten. Dat Stichting Ros ter zitting heeft verklaard dat verzoekster, vanwege haar zoon, niet op straat zal worden gezet tot zij eigen huisvesting heeft, maakt dat niet anders. Verzoekster behoort niet meer tot de doelgroep van Stichting Ros nu gebleken is dat zij verblijfsrecht in Nederland heeft (zie ook hierna onder 5). Zij houdt dus een opvangplek bezet die bedoeld is voor iemand anders. Verzoekster heeft bovendien gesteld dat Stichting Ros naar haar aard een opvanglocatie is die schade oplevert voor het welzijn van haar kind. Hoewel het dossier op dit moment onvoldoende aanknopingspunten biedt om over dit laatste een oordeel te kunnen geven, is invoelbaar dat verzoekster die opvang zo snel mogelijk wenst te verlaten.
4.2.
Nu verzoekster een spoedeisend belang heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter de vraag of de afwijzing van de aanvraag in bezwaar in stand zal kunnen blijven. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster verblijfsrecht heeft als familielid van een EU-burger (haar minderjarige zoon). Op 16 maart 2023, na het bestreden besluit van 4 maart 2024, heeft zij een verblijfsdocument gekregen. Dit betekent dat zij inmiddels rechtmatig verblijf heeft in Nederland en daarmee behoort tot de kring van rechthebbenden die een beroep kunnen doen op de Wmo 2015. Dit wordt door het college ook erkend. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit in het besluit op bezwaar zal worden verwerkt.
6. Voor een recht op opvang is bepalend of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving. Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015. De voorzieningenrechter stelt voorop dat iemand die feitelijk niet in staat blijkt onderdak te organiseren, niet alleen al om die reden voor een maatwerkvoorziening opvang in aanmerking komt. [1]
7. De voorzieningenrechter moet daarom, zoals volgt uit de vaste rechtspraak van de Raad, beoordelen of het huisvestingsprobleem wordt veroorzaakt doordat verzoekster zich niet kan handhaven in de samenleving. [2] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de aanvraag terecht afgewezen en zich daartoe op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster zelfstandig, met gebruikelijke voorzieningen en hulp, in staat moet worden geacht zich te kunnen handhaven in de samenleving. Gebleken is dat verzoekster sinds haar komst naar Nederland op alle vlakken hulp en begeleiding heeft weten te verkrijgen, zoals door Stichting ROS, die haar opvang heeft geboden en nauw bij haar situatie betrokken is, een schoolmaatschappelijk werker, een werkcoach en een sociaal raadslid van de Vraagwijzer. Er zijn praktische zaken geregeld, zij heeft een verblijfsdocument, een bijstandsuitkering, een woonpas bij Woonnet Rijnmond en een zorgverzekering. Zij reageert (al dan niet met hulp van House of Hope) op aangeboden huisvesting van Woonnet Rijnmond en andere websites. Verder heeft zij, zoals onweersproken uit de stukken naar voren komt, zelfstandig een betalingsregeling getroffen voor een BSO-schuld en zij volgt een opleiding. Ook is het haar gelukt om een stageplaats te vinden. Dit betekent dat verzoekster zich tot op zekere hoogte in Nederland heeft weten te redden. Dat verzoekster geen huisvesting heeft, wil niet zeggen dat zij zich niet kan handhaven in de samenleving als bedoeld in de Wmo 2015. Haar huisvestingsprobleem wijst veeleer op schaarste op de woningmarkt. Het college is daarom, gelet op de vaste rechtspraak, niet gehouden om verzoekster op grond van de Wmo 2015 toe te laten tot de maatschappelijke opvang.
8. Verzoekster heeft een beroep gedaan op artikel 8 van Pro EVRM en artikel 3 van Pro het IVRK.
8.1.
Uit de vaste rechtspraak [3] volgt dat in een geval als hier aan de orde waarin het gaat om een huisvestingsprobleem, weigering tot de opvang geen schending van artikel 8 van Pro het EVRM oplevert. Noch uit artikel 8 van Pro het EVRM, noch uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, kan recht op huisvesting worden afgeleid. Uit de rechtspraak volgt dat elke positieve verplichting om daklozen van onderdak te voorzien moet worden beperkt. Slechts in bijzondere omstandigheden kan een verplichting om onderdak te verschaffen aan bijzonder kwetsbare personen voortvloeien uit artikel 8 van Pro het EVRM. Hiervan is in dit geval niet gebleken.
8.2.
Verder volgt uit vaste rechtspraak [4] dat artikel 3 van Pro het IVRK rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Het college is in het besluit van 4 maart 2024 niet uitdrukkelijk op het belang van de minderjarige zoon van verzoekster ingegaan. In zoverre kleeft er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Het college heeft echter op de zitting toegelicht dat de belangen van de zoon van verzoekster wel in het besluit zijn betrokken en dat daartoe in het besluitvormingstraject een deskundige op het gebied van jonge kinderen betrokken is geweest. Daarbij heeft het college erop gewezen dat juist ook in de maatschappelijke opvang veelal personen verblijven met mentale problemen en dat het dus de vraag is of de maatschappelijke opvang een veiligere omgeving biedt voor de minderjarige zoon van verzoekster. Het college heeft verder verklaard dit punt nader te kunnen motiveren in het besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter acht dit laatste niet onaannemelijk.
9. Het beroep van verzoekster op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 23 augustus 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:3941)
slaagt niet omdat, anders dan in geval van verzoekster, de betrokkenen in die zaak niet meer in staat werden geacht zich op eigen kracht of met hulp uit het sociale netwerk te handhaven in de samenleving als bedoeld in de Wmo 2015.
10. Verzoekster heeft zich ook beroepen op het vertrouwensbeginsel en daartoe gewezen op de omstandigheid dat de medewerkster van het Wijkteam haar heeft aangemeld voor WMO-traject bankslapers via het CVD. Het college heeft ter zitting verklaard dat een aanmelding nog niet betekent dat verzoekster wordt toegelaten en dat een enkele aanvraag voor een andersoortige voorziening op grond van de WMO niet kan worden gezien als een toezegging. De voorzieningenrechter volgt het college hierin.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoekster geen toegang hoeft te verlenen tot de maatschappelijke opvang. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit voor verzoekster een teleurstellende uitkomst zal zijn en dat de situatie waarin verzoekster verkeert verzoekster veel stress geeft. De maatschappelijke werkelijkheid is helaas dat er door de woningnood veel personen zijn die in een vergelijkbare situatie verkeren als verzoekster en haar zoon. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af
.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1651; zie ook de uitspraak van de Raad van 10 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:56.
2.Vergelijk de uitspraak van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 10 januari 2024.
3.Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1339 en 23 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1087.
4.Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 26 mei 2021.