Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
- namens CVD [naam 1] (teamleider) en [naam 2] (teamleider P&O), met de gemachtigde van CVD mr. E.V.H. van Tricht, en
- [verweerster] , met haar dochter en haar gemachtigde mr. M.J. Blom.
Rechtbank Rotterdam
Werkneemster trad op 1 november 2018 in dienst bij werkgever. Werkgever bood haar een vaststellingsovereenkomst aan met een wettelijke bedenktermijn van veertien dagen. De gemachtigde van werkneemster stemde op 20 februari 2024 schriftelijk en zonder voorbehoud in met de overeenkomst, waardoor de bedenktermijn volgens vaste rechtspraak vanaf dat moment begon te lopen.
Werkneemster deed op 6 maart 2024 een beroep op de bedenktermijn en wilde de overeenkomst ontbinden, maar dit was na het verstrijken van de termijn. Werkneemster baseerde zich op een eerdere uitspraak uit 2016, waarin werd geoordeeld dat de termijn pas begint te lopen bij ondertekening, maar de rechtbank bevestigde dat de actuele rechtspraak uitgaat van schriftelijke instemming.
Werkgever had haar ontbindingsverzoek omgezet in een voorwaardelijk verzoek, maar omdat werkneemster niet tijdig beroep deed, was de voorwaarde niet vervuld. De kantonrechter verklaarde werkgever niet-ontvankelijk in haar verzoek en ging niet in op verdere inhoudelijke beoordeling. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: Werkgever is niet-ontvankelijk verklaard in haar ontbindingsverzoek wegens te laat beroep op de wettelijke bedenktermijn door werkneemster.