Uitspraak
1.De procedure
- het verzoekschrift van werknemer, met bijlagen;
- het verweerschrift van werkgever met (voorwaardelijk) tegenverzoek, met bijlagen;
Rechtbank Rotterdam
Werknemer was sinds december 2022 in dienst bij werkgever en werd in maart 2023 zorgmanager. Op 16 januari 2024 werd hij op staande voet ontslagen. Werknemer vorderde vernietiging van het ontslag, doorbetaling van salaris en terugkeer in dienst. Werkgever betwistte dit en verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet geldig was omdat geen dringende reden bestond. De door werkgever aangevoerde redenen, waaronder het niet tijdig aanvragen van PGB-gelden en vermeend gebrek aan bekwaamheid, waren onvoldoende onderbouwd en niet ernstig genoeg voor een ontslag op staande voet.
De arbeidsovereenkomst bleef daardoor bestaan tot de natuurlijke einddatum 4 juli 2024. Werkgever werd veroordeeld tot doorbetaling van loon, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, wettelijke verhoging en rente. Het verzoek tot verrekening van loon met schade werd afgewezen wegens ontbreken van bewijs van opzet of bewuste roekeloosheid.
De kantonrechter wees het ontbindingsverzoek af wegens gebrek aan belang en oordeelde dat werknemer recht had op een transitievergoeding van € 2.728,40. Proceskosten werden aan werkgever opgelegd. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en werkgever wordt veroordeeld tot loonbetaling en transitievergoeding.