Mevrouw heeft met succes de wettelijke schuldsaneringsregeling doorlopen en op 20 maart 2025 de schone lei gekregen. De Belastingdienst heeft ambtshalve een tegemoetkoming van €10.000 toegekend onder de Kindregeling, zonder dat mevrouw hier zelf om heeft gevraagd. Dit bedrag werd op 18 maart 2025 ontvangen door haar voormalige beschermingsbewindvoerder, terwijl de materiële looptijd van de regeling nog liep.
De wsnp-bewindvoerder stelde dat de tegemoetkoming in de boedel viel omdat het bedrag tijdens de looptijd van de regeling werd ontvangen. Mevrouw verzocht de rechter-commissaris echter om te bepalen dat het bedrag buiten de boedel bleef. De rechter-commissaris oordeelde dat het recht op deze tegemoetkoming een hoogstpersoonlijk recht is, vergelijkbaar met smartengeld, en niet vatbaar is voor beslag zolang het niet is uitgeoefend.
Omdat mevrouw niet op de hoogte was gesteld van haar recht om de uitbetaling uit te stellen en zij geen wilsverklaring heeft afgelegd vóór het einde van de regeling, viel het bedrag pas na afloop van de regeling in haar voor beslag vatbare vermogen. Hierdoor valt de tegemoetkoming buiten de boedel. De rechter-commissaris gelastte de bewindvoerder het bedrag aan mevrouw terug te betalen.