De zaak betreft een beroep van eiser tegen een besluit van de Dienst Toeslagen van 22 april 2022 waarin werd vastgesteld dat eiser geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van €30.000,- op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser stelde bezwaar in en vervolgens beroep tegen het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. De rechtbank Den Haag verwees de zaak door naar Rotterdam vanwege woonplaats van eiser.
De Dienst Toeslagen verklaarde het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk met besluit van 11 maart 2024. Eiser voerde aan dat dit besluit niet op juiste wijze was bekendgemaakt. De rechtbank stelde eiser in de gelegenheid gronden aan te voeren maar ontving geen verdere reactie. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het doel van het beroep, het verkrijgen van een besluit, met het besluit van 11 maart 2024 was bereikt.
Het beroep tegen het besluit van 11 maart 2024 werd ongegrond verklaard omdat de gestelde gebrekkige bekendmaking niet ziet op de inhoud of voorbereiding van het besluit en dus de rechtmatigheid niet aantast. De rechtbank veroordeelde de Dienst Toeslagen tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van €453,50 wegens het niet tijdig beslissen.