Eiseres ontving een lening voor het inburgeringstraject en is het oneens met de terugbetalingsplicht die de staatssecretaris oplegde. Zij voerde aan dat medische gronden en de gezinsherenigingsrichtlijn haar vrijstelling rechtvaardigen. De rechtbank stelde vast dat eiseres geen asielzoeker is en dat de terugbetalingsplicht op grond van de Wet inburgering terecht is opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen het besluit uit 2018 formele rechtskracht heeft en dat het medische rapport uit 2021 niet relevant is voor de periode van de inburgeringsplicht. Ook werd geoordeeld dat de staatssecretaris terecht afzag van het horen van eiseres bij bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De procedure duurde ruim vier jaar, waarbij een deel van de tijd werd besteed aan het afwachten van prejudiciële vragen. De redelijke termijn werd overschreden met twaalf maanden, waarvoor de Staat een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- moet betalen.
Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, zij moet de lening terugbetalen en krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn en griffier R. Blokhuis op 4 december 2025.