ECLI:NL:RBROT:2025:14564

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
ROT 23/4065
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wabo - omgevingsvergunning legaliseren klimaatinstallatie - college heeft niet onderkend dat artikel 3.9, 3e lid, van het Bouwbesluit van toepassing is

Op 8 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een klimaatinstallatie en het plaatsen van een geluidsscherm op het dak van een gezondheidscentrum in Poortugaal. Eiser, een bewoner van een nabijgelegen appartement, had bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning, omdat hij meende dat het bouwplan in strijd was met het Bouwbesluit. De rechtbank oordeelde dat het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard niet had onderkend dat artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit van toepassing was. Dit artikel vereist dat de geluidsoverlast van de klimaatinstallatie niet meer dan 40 dB mag bedragen. De rechtbank stelde vast dat het college de aanvraag niet correct had beoordeeld en dat het bestreden besluit in strijd was met de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaarde het beroep van eiser gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand, omdat het college met een nadere motivering het gebrek had hersteld. De rechtbank voegde aanvullende voorschriften toe aan de in stand te laten rechtsgevolgen en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/4065

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit Poortugaal, eiser

(gemachtigde: mr. E.G.J.M. Meijer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard, het college (gemachtigde: mr. M.A.J. West).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[bedrijf]uit Poortugaal (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. H.C. Lagrouw).

Procesverloop

1. Bij besluit van 23 december 2022 (het primaire besluit) is aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een klimaatinstallatie en het plaatsen van een geluidsscherm op het dak van de locatie [adres 1] (de locatie). Met het bestreden besluit van 4 mei 2023 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Het college heeft een aanvullend verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd. Het college heeft een reactie ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster vergezeld door [naam 1] (huisarts), [naam 2] (fysiotherapeut) en [naam 3] (huisarts).

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser woont in een appartement op de locatie [adres 2]. Vergunninghoudster is een gezondheidscentrum gevestigd op de locatie. Op 5 augustus 2022 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘Bouwen’ op de locatie. De aanvraag ziet op het legaliseren van een klimaatinstallatie en het plaatsen van geluidsschermen op het dak van de locatie.
3. Het college heeft bij het primaire besluit de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘Bouwen’ op de locatie. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, in samenhang gelezen met artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4. Eiser kon zich met het primaire besluit niet verenigen en heeft daarom bezwaar ingediend tegen het primaire besluit.
5. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft de bezwaarschriftencommissie op 6 april 2023 een hoorzitting gehouden. De bezwaarschriftencommissie heeft vervolgens op 25 april 2023 een advies uitgebracht waarin geadviseerd is het primaire besluit in stand te laten.
6. Bij het bestreden besluit heeft het college het advies van de bezwaarschriftencommissie gevolgd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
Toetsingskader
7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 augustus 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
8. Het wettelijk kader is vermeld in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Besluit activiteiten leefomgeving (het Bal)
9. Voor zover eiser stelt dat op onderhavige procedure het Bal van toepassing is, kan dat betoog niet slagen. De aanvraag om een omgevingsvergunning is op 5 augustus 2022 ingediend. Dat betekent dat de aanvraag dateert van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het Bal. Zoals hiervoor onder 7 is aangegeven blijft het oude recht dat is opgenomen in de Wabo dan van toepassing. Voor toepassing van het Bal is daarom geen ruimte.
Strijd met het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit)
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college geen omgevingsvergunning mocht verlenen omdat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit. Eiser voert hiertoe aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het gegeven dat tijdens de bezwaarprocedure de DCMR voornemens was om maatwerkvoorschriften aan vergunninghoudster op te leggen. Het college heeft ten onrechte niet gekeken naar de feitelijke situatie van eiser. Eiser voert verder aan dat het college de maatwerkvoorschriften had kunnen koppelen aan de omgevingsvergunning en verwijst hiervoor naar artikel 3.10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser stelt verder dat hij tussen 07:00 uur en 19:00 uur last heeft van geluidsoverlast als hij op zijn dakterras staat of zit.
10.1.
In deze zaak gaat het om de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning ter legalisering van een reeds geplaatste klimaatinstallatie en het plaatsen van een geluidsscherm als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Het college moet deze aanvraag toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Bij deze toetsing geldt een zogenoemd limitatief-imperatief stelsel, wat inhoudt dat het college moet beoordelen of zich één of meer van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen. Als dat niet het geval is, moet de gevraagde vergunning worden verleend. Er is dan sprake van een gebonden beschikking, waarbij het college geen ruimte heeft om een belangenafweging te maken.
10.2.
Het college heeft zich in haar aanvullend verweerschrift van 5 november 2025 op het standpunt gesteld dat niet artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit van toepassing is, maar artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit. Op grond van artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit veroorzaakt een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai. Dit artikel vereist dat de locatie ten behoeve van vergunninghoudster enerzijds en de woonfunctie voor het appartement van eiser anderzijds zich op hetzelfde grondperceel (Poortugaal B 3608) bevinden. Dit is het geval zodat artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit hier van toepassing is. Dat betekent dat de norm van 40 dB ertoe dient om de geluidbelasting in het appartement van eiser vanwege de installaties van vergunninghoudster te beperken tot maximaal dat geluidsniveau. Nu uit het akoestisch onderzoek van Duinwijck van 30 november 2022 volgt dat de geluidbelasting vanwege de klimaatinstallatie in de dagperiode 51dB is, derhalve een ruime overschrijding van voornoemde norm van 40 dB, is het niet aannemelijk dat het bouwplan voldoet aan het Bouwplan. Het college heeft dit ten onrechte niet onderkend.
10.3.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het bouwplan getoetst had moeten worden aan artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit. Nu dat niet is gebeurd is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is reeds daarom gegrond. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten dan wel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.
10.4.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5124, staat voorop dat de rechter bij de beslissing tot het zelf in de zaak voorzien de overtuiging moet hebben dat de uitkomst van het geschil in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn. Zelf in de zaak voorzien is onder meer mogelijk in gevallen waarin het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en dus een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar ten onrechte achterwege is gebleven indien het gaat om een gebonden besluit. In het geval voor het bestuursorgaan nog beleidsruimte bestaat, kan de rechter zelf in de zaak voorzien indien het bestuursorgaan alsnog de vereiste belangenafweging heeft gemaakt en de uitkomst van die belangenafweging evident de rechterlijke toets kan doorstaan.
10.5.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3598, is de toets aan het Bouwbesluit die het college moet uitvoeren, een aannemelijkheidstoets. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit. De toetsing die de rechtbank moet verrichten, is daarom terughoudend. De rechtbank moet daarom in dit geval beoordelen of het college in redelijkheid aannemelijk kan achten dat wordt voldaan aan de eisen die in het Bouwbesluit zijn gesteld.
10.6.
Het college heeft in haar verweerschrift van 5 november 2025 de volgende toelichting gegeven. Het college heeft verwezen naar het besluit van 21 juli 2023, waarbij aan vergunninghoudster maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit zijn opgelegd. Als gevolg hiervan mag in de dagperiode (van 07:00 uur tot 19:00 uur) de geluidbelasting van de klimaatinstallatie op de gevel van eiser niet meer dan 40 dB bedragen. Op 17 maart 2025 zijn aanvullend op het besluit van 21 juli 2023 door de DCMR nog ambtshalve maatwerkvoorschriften gesteld. Met dit aanvullend besluit blijft voorschrift 1 uit het maatwerkbesluit van 21 juli 2023, te weten de norm van 40 dB over de beoordelingsperiode 07:00 uur tot 19:00 uur gehandhaafd. Met het besluit van 17 maart 2025 is tevens een nieuw voorschrift toegevoegd, namelijk 35 dB over de beoordelingsperiode van 23:00 uur tot 07:00 uur. Het college heeft voorts verwezen naar het advies van de DCMR van 14 augustus 2025 waaruit volgt dat aan de grenswaarden uit de maatwerkbeschikking van 40 dB wordt voldaan wanneer de volgende maatregelen worden getroffen aan de geplaatste klimaatinstallatie:
het plaatsen van de geluiddempers van het merk TROX, type XS-F aan de warmtepompen, zoals beschreven in het geluidrapport ‘Akoestisch onderzoek Geluid van buiten opgestelde installaties GHC Poortugaal’ van Innax van 27 mei 2025 met kenmerk 001/rap.24699/AW en
de warmtepompen:
a. op maximaal 70% van het vermogen draaien en
b. in de ‘silent mode’ in werking zijn.
Het college heeft nog toegelicht dat het recent door de DCMR uitgevoerde aannemelijkheidsonderzoek waarop het advies ziet, laat zien dat na het doorvoeren van voornoemde maatregelen door vergunninghoudster het geluidsniveau ter plaatse van de gevel van het appartement van eiser ten hoogste 35 dB in elke etmaalperiode bedraagt. Verder is voor het plaatsen van de geluidsdempers op 5 september 2025 door het college een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Het college stelt zich gelet op het voorgaande op het standpunt dat als met deze maatregelen volgens de DCMR kan worden voldaan aan de grenswaarden van 40 dB uit de maatwerkbesluiten, eveneens kan worden geconcludeerd dat voor de klimaatinstallatie kan worden voldaan aan de geluidsnorm van 40 dB uit artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat alsnog aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldoet.
10.7.
De rechtbank stelt vast dat eiser naar aanleiding van de nadere motivering van het college geen beroepsgronden heeft ingediend die zien op het Bouwbesluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de DCMR van 14 augustus 2025 en de resultaten van het akoestisch onderzoek van Innax van 27 mei 2025. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Ook zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door aanvullende voorschriften aan de in stand te laten rechtsgevolgen toe te voegen. Ter zitting heeft vergunninghoudster aangegeven dat zij geen bezwaren heeft tegen het opnemen van de door het college voorgestelde voorschriften. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij liever ziet dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt, maar daar ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen aanleiding toe.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep van eiser is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college met zijn nadere motivering het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de omgevingsvergunning van 23 december 2022 van kracht blijft. De rechtbank voorziet verder nog zelf in de zaak door aanvullend de volgende voorschriften aan de in stand te laten rechtsgevolgen toe te voegen:
Aan de grenswaarden van 40 dB wordt voldaan wanneer de volgende maatregelen worden getroffen aan de geplaatste klimaatinstallatie:
het plaatsen van de geluiddempers van het merk TROX, type XS-F aan de warmtepompen, zoals beschreven in het geluidrapport ‘Akoestisch onderzoek Geluid van buiten opgestelde installaties GHC Poortugaal’ van Innax van 27 mei 2025 met kenmerk 001/rap.24699/AW en
de warmtepompen op maximaal 70% van het vermogen draaien en
de warmtepompen in de ‘silent mode’ in werking zijn.
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
13. Eiser heeft verzocht om een proceskostenvergoeding op grond van de daadwerkelijke kosten rechtsbijstand toe te kennen. Eiser heeft hiertoe een aantal facturen overgelegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2702, in 5.2) heeft het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) neergelegde vergoedingsstelsel een forfaitair karakter. Indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, kan op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb van dit forfaitaire stelsel worden afgeweken. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van dit forfaitaire stelsel onrechtvaardig uitpakt. Eiser heeft niet gemotiveerd noch onderbouwd dat in zijn geval sprake is van een uitzonderlijk geval. Nu daarvan ook niet is gebleken, ziet de rechtbank geen aanleiding om van het forfaitaire stelsel af te wijken. De vergoeding voor de proceskosten wordt met toepassing van het Bpb als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt dan ook € 1.814,-. Het college moet de proceskostenvergoeding betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden aangevuld met de volgende voorschriften:
Aan de grenswaarden van 40 dB wordt voldaan wanneer de volgende maatregelen worden getroffen aan de geplaatste klimaatinstallatie:
het plaatsen van de geluiddempers van het merk TROX, type XS-F aan de warmtepompen, zoals beschreven in het geluidrapport ‘Akoestisch onderzoek Geluid van buiten opgestelde installaties GHC Poortugaal’ van Innax van 27 mei 2025 met kenmerk 001/rap.24699/AW en
de warmtepompen op maximaal 70% van het vermogen draaien en
de warmtepompen in de ‘silent mode’ in werking zijn.
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo kan een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk, alleen worden geweigerd als het bouwplan niet voldoet aan - kort gezegd - het bouwbesluit (a), de bouwverordening (b), het bestemmingsplan (c) of de redelijke eisen van welstand (d).
Bestemmingsplan
De locatie is gesitueerd in het bestemmingsplan ‘Poortugaal Centrum – Emmastraat’ en heeft hierin de bestemmingen ‘Centrum’ en ‘Waarde-Archeologie’. Daarnaast geldt de bouwaanduidingen ‘gestapeld’, ‘specifieke bouwaanduiding – dakterras’ en ‘specifieke bouwaanduiding – geluidscherm’. Ook geldt er een gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’.
Op grond van artikel 3.1, onder c, van de planregels zijn de voor Centrum aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen.
Op grond van artikel 3.2, onder g, van de planregels mogen op de in lid 3.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'geluidscherm' tevens een erfafscheiding in de vorm van een geluidwerende voorziening toegestaan is met een maximale bouwhoogte van 4 meter.
Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit)
Op grond van artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit veroorzaakt een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai.