In deze kortgedingprocedure vordert eiser betaling van achterstallig loon en wettelijke verhoging nadat zijn werkgever, een detacheringsbureau, het loon over november 2025 te laat betaalde. Eiser was werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en meldde zich ziek op 3 november 2025. De opdrachtgever zegde de opdrachtovereenkomst op, waarna de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegde en loon opschortte.
De bedrijfsarts stelde op 4 december 2025 volledige arbeidsongeschiktheid vast en adviseerde mediation. De werkgever betaalde op 9 december 2025 90% van het loon. Eiser wijzigde zijn eis en vorderde ook betaling van fiscale bijtelling en een bedrag wegens een verkeersboete, alsmede incassokosten en proceskosten.
De kantonrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was vanwege financiële noodzaak van eiser. De vordering inzake de verkeersboete werd afgewezen omdat de werkgever gemotiveerd betwistte dat eiser de overtreding beging en bewijslevering in kort geding niet mogelijk is. De fiscale bijtelling werd niet toegewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de verplichting tot betaling. De vordering tot betaling van toekomstig loon werd afgewezen omdat de werkgever de opzegging introk en loonbetalingen voortzette.
Wel werd de wettelijke verhoging van 20% over het te laat betaalde loon toegewezen. Incassokosten werden afgewezen wegens ontbreken van buitengerechtelijke werkzaamheden. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op €1.079,47. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.