ECLI:NL:RBROT:2025:4597

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
15 april 2025
Zaaknummer
ROT 24/11397
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtAfdeling bestuursrechtspraak Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:3209Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:1301
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Belastingdienst tot dwangsom en besluitvorming aanvullende compensatie toeslagen

Eiseres heeft bij de Belastingdienst een verzoek ingediend voor aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade in het kader van de toeslagenaffaire. Nadat de Belastingdienst niet tijdig heeft beslist op dit verzoek, heeft eiseres beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat de Belastingdienst sinds ingebrekestelling niet heeft beslist. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt de Belastingdienst op binnen zeven weken na verzending van het vonnis een besluit te nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor iedere dag dat de termijn wordt overschreden. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De rechtbank motiveert dat de zaak van licht gewicht is en dat een zitting niet nodig is.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot het nemen van een besluit binnen zeven weken en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11397
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2025 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde: mr. J.F. Cheung,
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij verweerder een verzoek gedaan om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft op 18 maart 2025 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
Eiseres heeft zich gemeld bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) omdat eiseres meent dat de werkelijk geleden schade hoger is dan de door verweerder toegekende compensatie. De CWS heeft dit verzoek in behandeling genomen en de beslistermijn met zes maanden verlengd.
Niet in geschil is dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken voorbij gegaan. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op het verzoek. Het beroep is daarom gegrond.
Eiseres heeft verzocht de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen. Verweerder heeft op 28 januari 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. [1] Verweerder moet in beginsel binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een besluit over de aanvullende compensatie bekendmaken. Omdat van deze termijn op de datum van deze uitspraak vijf weken zijn verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zeven weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit moet bekendmaken.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijnen overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat een termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. [2] De rechtbank ziet geen aanleiding om een hoger bedrag toe te kennen.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. [3] Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zeven weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een besluit over de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van R.A.I. de Bruijn, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 22 april 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.