De burgemeester van Rotterdam besloot op 1 mei 2024 tot sluiting van een woning voor drie maanden vanwege vermoedelijke productie van harddrugs, specifiek purple lean. Na diverse procedures, waaronder schorsingen door de voorzieningenrechter, werd het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers stelden dat de burgemeester onvoldoende onderzoek had gedaan en dat de sluiting onevenredig was.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de burgemeester bevoegd was en de sluiting in beginsel noodzakelijk was vanwege de aangetroffen morfine en andere stoffen, de belangenafweging onvoldoende was gemaakt. De woning was al leeg en gerenoveerd, de huurder vertrok en eisers 2 waren onschuldig nieuwe huurders die onterecht getroffen werden door de sluiting.
De rechtbank concludeerde dat de nadelige gevolgen voor eisers 2 niet opwegen tegen het doel van de sluiting. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.