Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2293

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25-4351
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.1 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Art. 2.3 lid 2 onder f Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Artikel 6:22 AwbParticipatiewetBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring woonlasten en toepassing hardheidsclausule

Eiser diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring op grond van woonlasten, nadat hij werkloos werd en een huurachterstand opliep in een tijdelijke huurwoning. Het college wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 en omdat het huisvestingsprobleem naar het oordeel van het college verwijtbaar was ontstaan.

De rechtbank stelde in een tussenuitspraak vast dat het college een onjuiste grondslag had gehanteerd en onvoldoende had gemotiveerd waarom urgentie niet verleend kon worden. Het college kreeg de gelegenheid het gebrek te herstellen, wat zij deed door een aanvullende motivering te geven waarin zij stelde dat eiser verwijtbaar had gehandeld door niet tijdig woonkostentoeslag aan te vragen.

Eiser betwistte dat het college het gebrek had hersteld en voerde aan dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege zijn schrijnende situatie. De rechtbank oordeelde dat het college de situatie van eiser voldoende had gemotiveerd en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het college moet griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Spijkenisse, eiser

(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard,het college
(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Met het besluit van 9 december 2024 (primair besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om in aanmerking te komen voor urgentieverklaring vanwege de urgentiegrond “woonlasten” afgewezen.
Met het besluit van 24 april 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E. Paydas, als waarnemer van zijn gemachtigde. Het college is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
In de tussenuitspraak van 4 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 11 januari 2026 een aanvullende motivering ingediend.
Eiser heeft op 11 februari 2026 een schriftelijke reactie gegeven.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college de afwijzing van de aanvraag niet goed heeft gemotiveerd. Het college heeft de urgentieaanvraag van eiser (reeds) afgewezen op de grond dat hij niet aan de (algemene) voorwaarde zou voldoen dat hij op het moment van de aanvraag een zelfstandige woonruimte bij een woningcorporatie huurt die onder de huurprijsgrens valt (artikel 2.1.1, eerste 1 van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024). Op die grond is de aanvraag ook in de primaire fase afgewezen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college artikel 2.1.1, eerste lid van de Verordening niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft mogen leggen, omdat dit geen weigeringsgrond is. Voor het overige heeft het college met het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd in hoeverre is getoetst aan de weigeringsgronden van de verordening en die in de weg staan aan het verlenen van urgentie. Dit betekent ook dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat dit gebrek - het hanteren van een onjuiste grondslag voor het bestreden besluit - niet met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb kan worden gepasseerd.
3. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen met of een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
4. Het college heeft een aanvullende motivering aan de afwijzing van de urgentieaanvraag ten grondslag gelegd. Daarin overweegt het college dat eiser op 1 april 2023 een tijdelijke huurovereenkomst is aangegaan, waarbij hij wist dat hij uiterlijk april 2025 zijn tijdelijke huurwoning moest verlaten. In de tussentijd is eiser werkloos geworden en kon hij hierdoor de huur niet meer voldoen, waardoor er een huurachterstand is ontstaan en de verhuurder een procedure is gestart om vroegtijdig de huurovereenkomst te beëindigen. Op advies van de gemeente heeft eiser op 13 november 2024 bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet voor woonkostentoeslag. Bij besluit van 18 februari 2025 is besloten aan eiser met ingang van 1 oktober 2024 bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een woonkostentoeslag van € 1.193,34 per maand. De einddatum was 30 april 2025.
Het college baseert de afwijzing van de urgentieaanvraag op artikel 2.3, tweede lid 2 onder f van de Verordening. Daarin staat dat de aanvraag wordt afgewezen als het huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van naar het oordeel van het bestuursorgaan verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van het huishouden, voor zover dit verwijtbare doen of nalaten niet langer dan twee jaar voor het indienen van aanvraag plaatsvond.
Het college stelt zich op het standpunt dat het aan eiser valt te verwijten dat hij niet tijdig woonkostentoeslag heeft aangevraagd, waardoor er een huurachterstand is ontstaan en de huurder een procedure is gestart om de huurovereenkomst vroegtijdig te beëindigen.
Daarbij wijst het college er tevens op dat de urgentieaanvraag niet uitsluitend te maken had met de te hoge woonlasten, maar tevens met de dreigende dakloosheid, omdat het huurcontract in april 2025 zou aflopen. Het college heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond gezien voor het toepassen van de hardheidsclausule.
5. Eiser stelt in de reactie op de aanvullende motivering dat het college het door de rechtbank geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Volgens eiser heeft het college geen uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank, doordat geen feitelijke toetsing aan de weigeringsgrond ‘woonlasten’ heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de verwijtbaarheid stelt eiser zich op het standpunt dat dit een ‘kan-bepaling’ is en dat het college heeft verzuimd de belangen van eiser kenbaar te wegen. Eiser acht het gelet op zijn omstandigheden niet evenredig om hem voor het laat aanvragen van woonkostentoeslag verwijtbaar te achten. Eiser wijst erop dat de woonkostentoeslag die achteraf is toegekend en de verwijzing naar maatschappelijke opvang geen reëel alternatief zijn. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat het college in de schrijnende situatie aanleiding had moeten zien de hardheidsclausule toe te passen en dat het college in de aanvullende motivering geen kenbare individuele afweging heeft gemaakt.
6. De rechtbank gaat er op basis van de zich in het dossier bevindende stukken van uit dat eiser in een huurwoning in Spijkenisse woonde op basis van een tijdelijk contract dat liep tot 1 april 2025. Eiser heeft op 18 november 2024 bij het college een urgentieaanvraag gedaan met als motivering dat zij huurcontract afloopt per april 2025, dat hij werkloos is en niet genoeg geld heeft om er te blijven wonen en dat de verhuurder hem niet langer in de woning wil laten wonen. Het college heeft eiser bij brief van 25 november 2024 als voorgenomen beslissing bekend gemaakt dat hij niet in aanmerking komt voor urgentie omdat een woonkostentoeslag, waarvoor het college eiser in aanmerking heeft laten komen, een voorliggende voorziening is. De woonkostentoeslag is op 18 februari 2025 met terugwerkende kracht toegekend.
In zijn zienswijze van 4 december 2024 heeft eiser aangegeven dat de verhuurder hem eerder wil laten vertrekken uit de woning en dat dit de belangrijkste reden is voor de urgentieaanvraag, en niet uitsluitend het niet kunnen betalen van de huur. Bij (verstek)vonnis van 20 december 2024 heeft de kantonrechter eiser veroordeeld de (meer dan drie maanden) achterstallig huur te betalen en woning aan eiser ter beschikking te stellen. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij tot april 2025 in de woning heeft mogen blijven wonen.
7. Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser een verwijt kan worden gemaakt voor de situatie waarin hij niet kon voldoen aan zijn betalingsverplichtingen. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser in de kantonrechterprocedure kennelijk geen verweer heeft gevoerd, terwijl hij van het college al te horen had gekregen dat woonkostentoeslag een oplossing zou kunnen zijn. Daarbij heeft het college tevens kunnen betrekken dat eiser huurde op basis van een tijdelijk huurcontract en wist dat dit ook ten tijde van de aanvraag van urgentie binnen afzienbare tijd zou eindigen. Dat er zonder tijdige actie van eiser een huisvestingsprobleem zou ontstaan was dus voorzienbaar. Feitelijk heeft eiser de hele contractduur in de woning kunnen blijven wonen en kunnen de woonlasten in zoverre geen grond (meer) voor urgentie vormen. In het licht hiervan mocht het college afzien van een inhoudelijke toetsing aan de urgentiegrond ‘woonlasten’. Zoals uit de stukken naar voren komt was voor eiser vooral ook belangrijk dat hij geen woonruimte meer zou hebben en dakloos dreigde te worden. Dit kan echter volgens de verordening niet worden gebracht onder een van de gronden voor urgentie. [1] De rechtbank is van oordeel dat het college (alsnog) voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet voor urgentie vanwege woonlasten of een andere urgentiegrond uit de verordening in aanmerking komt.
8. In het bestreden besluit heeft het college overwogen begrip te hebben voor de lastige situatie, maar daarin geen reden te zien om de hardheidsclausule toe te passen. Het enkele feit dat eiser geen woning kan vinden is voor het college daarvoor onvoldoende. Het college heeft in de aanvullende motivering aangeven in hetgeen eiser heeft verklaard geen aanleiding te zien de hardheidsclausule toe te passen. In zoverre heeft het college een individuele afweging gemaakt over de toepasselijkheid van de hardheidsclausule. Hoewel de motivering summier is, kan de rechtbank het college volgen dat de situatie van eiser – dreigende dakloosheid en gezondheidsproblemen – niet zodanig bijzonder en schrijnend is, dat deze situatie alsnog met toepassing van de hardheidsclausule tot urgentieverlening kan leiden. De door het college gemaakte afweging is in de door het licht van de in het bestreden besluit door het college benadrukte context van de schaarste op de woningmarkt, niet onevenredig.
9. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak zoals hiervoor overwogen het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Zwager, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2025.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:165.