Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit Spijkenisse, eiser
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college artikel 2.1.1, eerste lid van de Verordening niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft mogen leggen, omdat dit geen weigeringsgrond is. Voor het overige heeft het college met het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd in hoeverre is getoetst aan de weigeringsgronden van de verordening en die in de weg staan aan het verlenen van urgentie. Dit betekent ook dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat dit gebrek - het hanteren van een onjuiste grondslag voor het bestreden besluit - niet met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb kan worden gepasseerd.
In zijn zienswijze van 4 december 2024 heeft eiser aangegeven dat de verhuurder hem eerder wil laten vertrekken uit de woning en dat dit de belangrijkste reden is voor de urgentieaanvraag, en niet uitsluitend het niet kunnen betalen van de huur. Bij (verstek)vonnis van 20 december 2024 heeft de kantonrechter eiser veroordeeld de (meer dan drie maanden) achterstallig huur te betalen en woning aan eiser ter beschikking te stellen. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij tot april 2025 in de woning heeft mogen blijven wonen.