ECLI:NL:RBROT:2026:2380

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/10/689014 / HA ZA 24-943
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:81 lid 2 onder e BWArt. 3:99 lid 1 BWArt. 3:101 BWArt. 3:105 BWArt. 3:107 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burengeschil over erfdienstbaarheden en gebruik van weg op perceel eisers

Eisers en hun buren zijn verwikkeld in een geschil over een weg die over het perceel van eisers loopt en belast is met erfdienstbaarheden ten gunste van achterliggende percelen. Eisers willen hun perceel afsluiten met een erfafscheiding en toegangshek, wat door buren wordt bestreden omdat dit de uitoefening van hun erfdienstbaarheden belemmert.

De rechtbank stelt vast dat erfdienstbaarheden ten gunste van de percelen van bepaalde buren bestaan, zowel door vestiging als door verjaring. De eigenaren van het dienend erf (eisers) moeten de uitoefening van deze rechten dulden en kunnen hun plannen niet uitvoeren als deze de rechten ontoelaatbaar belemmeren. De onderhoudskosten van de weg moeten naar redelijkheid worden verdeeld over de gebruikers met goederenrechtelijke rechten.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eisers geen belang hebben bij verwijdering van de paardenbak van buren en dat de afwatering niet onrechtmatig is. Eisers hoeven hun camera’s niet te verwijderen, maar moeten deze zo afstellen dat de weg niet meer in beeld wordt gebracht. De vorderingen van eisers worden grotendeels afgewezen, terwijl de buren in hun proceskosten worden toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de meeste vorderingen van eisers af en veroordeelt hen in de proceskosten van de buren; onderhoudskosten worden gedeeld en camera’s moeten zo worden afgesteld dat de weg niet meer in beeld is.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/689014 / HA ZA 24-943
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2.
[eiser 2],
wonend in [woonplaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat: mr. C.A. Gobbens,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2.
[gedaagde 2],
wonend in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.H. Bargeman,
3.
[gedaagde 3],
4.
[gedaagde 4],
5.
[gedaagde 5],
wonend in [woonplaats] ,
advocaat: mr. K. Hollenberg,
6.
[gedaagde 6],
7.
[gedaagde 7],
wonend en gevestigd in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.S. Ort,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
Eisers worden hierna samen [eisers] genoemd. Gedaagden 1 en 2 worden hierna samen [gedaagde 1+2] genoemd, gedaagden 3 en 4 samen [gedaagde 3+4] , gedaagde 5 [gedaagde 5] en gedaagden 6 en 7 samen [gedaagde 6+7] . Alle gedaagden worden afzonderlijk bij hun achternaam of vennootschapsnaam aangeduid en samen ook als ‘buren’.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eisers] zijn in 2021 in een agrarische omgeving gaan wonen. Enige tijd later is met hun buren een geschil ontstaan over, onder meer, de weg die loopt over het perceel van [eisers] en is belast met erfdienstbaarheden. [eisers] hebben plannen voor een andere inrichting van hun perceel ter plaatse van die weg. Die plannen stuiten op bezwaren van de meeste buren. [eisers] menen onder meer dat zij het recht hebben om hun perceel af te scheiden en af te sluiten met een hek. Verder menen zij dat de buren die van de weg gebruikmaken moeten bijdragen aan het onderhoud ervan. Volgens de betreffende buren maken [eisers] inbreuk op hun directe of indirecte rechten bij de erfdienstbaarheid als zij hun plannen uitvoeren.
[eisers] stellen zich verder op het standpunt dat de paardenbak van [gedaagde 6+7] . gedeeltelijk op hun perceel staat en dat de afwatering ter plaatse onrechtmatig is. [gedaagde 6+7] . zijn het daar niet mee eens.
In reconventie vorderen diverse buren verwijdering van camera’s van [eisers] omdat zij menen dat die in strijd zijn met hun recht op privacy. [eisers] betwisten dat en beroepen zich bovendien op hun belang bij bescherming van hun eigendom.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat [eisers] de erfdienstbaarheden moeten dulden en dat hun plannen de uitoefening van de rechten uit de erfdienstbaarheden ontoelaatbaar belemmeren. De kosten voor onderhoud van het pad moeten naar redelijkheid worden gedragen door [eisers] , [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] , als gebruikers van de weg op grond van hun goederenrechtelijke rechten. Verder oordeelt de rechtbank dat [eisers] geen belang hebben bij de vordering tot verwijdering van de paardenbak en dat de afwatering bij de paardenbak niet onrechtmatig is.
[eisers] hoeven hun camera’s niet te verwijderen, maar moeten die wel zodanig afstellen dat zij niet meer gericht zijn op de weg.
De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot deze en aanverwante oordelen komt. Ten slotte neemt de rechtbank beslissingen over de verschillende uit dit geschil voortvloeiende (tegen)vorderingen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 oktober 2024, met producties 1 tot en met 32;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van [gedaagde 1+2] , met
producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] ,
met producties 1 tot en met 18;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende voorwaardelijke incidentele
vordering tot splitsing van het geding, tevens houdende eis in reconventie van [gedaagde 6+7] .,
met producties 33 tot en met 40;
- de akte overleggen producties van [gedaagde 1+2] , met productie 6;
- de akte overleggen producties van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] , met producties 19 tot
en met 23;
- de conclusie van antwoord in reconventie jegens [gedaagde 1+2] , met productie 33;
- de conclusie van antwoord in reconventie jegens [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] , met
producties 34 tot en met 36;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens conclusie van antwoord in
voorwaardelijk incident tot splitsing jegens [gedaagde 6+7] ., met producties 37 en 38;
- de akte overlegging producties tevens houdende eiswijziging in conventie, met producties
39 tot en met 49;
- de akte eisvermeerdering van [gedaagde 1+2] , met productie 7;
- de e-mail van de rechtbank van 27 augustus 2025, met zittingsagenda;
- de spreekaantekeningen van mr. Gobbens en mr. Plooij;
- de spreekaantekeningen van mr. Bargeman;
- de spreekaantekeningen van mr. Hollenberg;
- de spreekaantekeningen van mr. Ort;
- de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

3.De feiten

Partijen en hun percelen
3.1.
Partijen wonen in een agrarische omgeving aan de rand van [woonplaats] en zijn daar buren van elkaar. [eisers] zijn sinds 2 maart 2021 de eigenaren van het perceel met woning aan de [adres] . Hun buren wonen al langer op aangrenzende en omliggende percelen aan de [straat] : [gedaagde 1+2] sinds meer dan [huisnummer 1] jaren op nummer [huisnummer 2] , [gedaagde 3+4] sinds 2017 als mantelzorgers van de moeder van [gedaagde 4] en sinds augustus 2021 als eigenaren op nummer [huisnummer 3] , [gedaagde 5] sinds december 1989 op nummer [huisnummer 4] en [gedaagde 6] sinds 2014 op nummer [huisnummer 5] .
3.2.
De percelen van partijen zijn op onderstaande kadastrale kaart weergegeven. In verband met anonimisering ten behoeve van openbare publicatie van het vonnis, zijn de kadastrale nummers vervangen door een letteraanduiding. “A” is eigendom van [eisers] , “B” van [gedaagde 1+2] , “C” van [gedaagde 3+4] (C1 is het woonperceel en C2 het agrarische perceel), “D” van [gedaagde 5] en “E” van [gedaagde 6] en/of [gedaagde 7] .
3.3.
Op de luchtfoto links hieronder zijn de woningen van partijen omkaderd: paars is het woonhuis van [eisers] , blauw van [gedaagde 1+2] , geel van [gedaagde 3+4] , oranje van [gedaagde 5] en roze van [gedaagde 6] . Op de luchtfoto rechts is het perceel van [eisers] in de kleur blauw weergegeven. Het blauwgekleurde deel geeft ook ongeveer de loop van de weg weer die de kern van dit geschil vormt. Het gaat om de weg die in het meest zuidelijke smalle deel ontsluit op de openbare [straat] , vervolgens tussen de percelen van [gedaagde 6] en [gedaagde 1+2] naar het noorden loopt en ten slotte via een bocht naar links loopt tot ten noordwesten van het perceel van [eisers] De weg vervolgt buiten het blauwe kader langs de percelen van [gedaagde 3+4] en vervolgens richting het perceel van [gedaagde 5] (“D” hierboven, buiten het bereik van deze afbeelding).
3.4.
In het verleden waren alle bij dit geschil betrokken percelen in eigendom van de familie [gedaagde 1] . Er lag toen al een weg ten westen van de huidige weg die functioneerde om van de voorzijde van de percelen ter plaatse van de [straat] naar de achterzijde van de percelen te gaan en andersom. In de jaren ’70 zijn diverse percelen verkocht aan verschillende eigenaren en is de (oude) weg gaan dienen als ontsluiting van de verschillende percelen van en naar de [straat] . Dit is de achtergrond geweest van de bestaande erfdienstbaarheden voor gebruik van de weg.
3.5.
[gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] kunnen hun percelen vanaf de openbare weg uitsluitend bereiken via de hiervoor genoemde weg op het perceel van [eisers] De percelen van [gedaagde 1+2] en [gedaagde 6+7] . hebben een eigen uitweg.
Gevestigde erfdienstbaarheden
3.6.
Bij notariële akte van 16 april 1970 in verband met een openbare veiling van diverse percelen van de familie [gedaagde 1] zijn diverse erfdienstbaarheden gevestigd. In de akte staat, voor zover van belang:
“Voor het geval na te noemen percelen aan verschillende kopers worden toegewezen worden de volgende erfdienstbaarheden gevestigd:
Behoudens na te noemen voorbehoud wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg van en naar de [straat] voor agrarische doeleinden ten behoeve van perceel III[ [1] ] en ten laste van de percelen II [opm. rechtbank: nummers [perceelnummer 1] [2] , [perceelnummer 2] , [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] , nu eigendom van [gedaagde 5] ] en I [opm. rechtbank: nummers [perceelnummer 5] , [perceelnummer 6] , nu eigendom van [gedaagde 3+4] ) en [perceelnummer 7] (nu gedeeltelijk eigendom van [gedaagde 3+4] )] en ten behoeve van perceel II [opm. rechtbank: nummers [perceelnummer 1] , [perceelnummer 2] , [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] , nu eigendom van [gedaagde 5] ] en ten laste van perceel I [opm. rechtbank: nummers [perceelnummer 5] , [perceelnummer 6] (nu eigendom van [gedaagde 3+4] ) en [perceelnummer 7] (nu eigendom van [gedaagde 3+4] )] over de thans bestaande laan. Deze erfdienstbaarheid wordt niet gevestigd indien de heersende erven worden aangekocht door eigenaren van aangrenzende percelen, in welk geval deze erfdienstbaarheid slechts zal bestaan voor particuliere doeleinden ten behoeve van het op perceel II [opm. rechtbank: nummers [perceelnummer 1] , [perceelnummer 2] , [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] , nu eigendom van [gedaagde 5] ] staande woonhuis.
Behoudens na te noemen voorbehoud wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg van en naar de [straat] – voor agrarische doeleinden ten behoeve van percelen V[ [3] ] en VI[ [4] ] en ten laste van perceel IV[ [5] ] over een op het kadastrale perceel [perceelnummer 8] aan te leggen dam, van welke dam de kosten van aanleg en onderhoud voor rekening komen van de eigenaren van de percelen, die hiervan gebruik maken. De kosten van deze dam zullen door de koper van perceel IV, die voor de aanleg van de dam moet zorgen, worden voorgeschoten en met zijn mede-gebruikers worden verrekend.
Deze erfdienstbaarheid wordt niet gevestigd ten behoeve van perceel V indien die perceel wordt aangekocht door een eigenaar van aangrenzende percelen, en wordt ten behoeve van perceel VI slechts gevestigd met ingang van de dag, waarop de eigenaar of gebruiker daarvan geen gebruik meer maakt van het ketelhuis, staand op perceel I en hij zijn aandeel in de kosten van de aanleg van de dam heeft betaald.
Voor de tijd dat de koper van perceel VI gebruik maakt van het op perceel I staande ketelhuis, wordt ten behoeve van perceel VI en ten laste van perceel I de erfdienstbaarheid van uitweg voor agrarische doeleinden gevestigd op de wijze zoals deze uitweg thans wordt uitgeoefend.
Ten behoeve van perceel VII[ [6] ] en ten laste van perceel I wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg voor particuliere doeleinden van en naar de [straat] over die thans bestaande laan.”
3.7.
Bij notariële akte van 8 mei 1978 is vastgelegd de verlegging van de weg waarover de hiervoor bedoelde erfdienstbaarheden werden uitgeoefend. De akte vermeldt, voor zover van belang:
“(…)
dat bij de processen-verbaal van veiling en gunning respectievelijk verleden op zestien en drie en twintig april negentienhonderd zeventig (…), werd gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg van en naar de [straat] voor agrarische doeleinden ten behoeve van perceel III en ten laste van de percelen I en II en ten behoeve van perceel II en ten laste van perceel I over de destijds bestaande laan.
Voorts werd eenzelfde erfdienstbaarheid gevestigd – evenwel voor particuliere doeleinden – ten behoeve van perceel IV en ten laste van perceel I.
De comparant verklaarde, handelend als voormeld, dat zijn genoemde lastgevers zijn overeengekomen als volgt:
dat de destijds bestaande laan, over welke bovengemelde erfdienstbaarheid werd uitgeoefend, en welke laan zich dicht langs de op het perceel I [opm. rechtbank: nummers [perceelnummer 5] , [perceelnummer 6] , nu eigendom van [gedaagde 3+4] ) en [perceelnummer 7] (nu gedeeltelijk eigendom van [gedaagde 3+4] )] aan de westzijde gelegen opstallen bevond, werd verlegd naar de noordzijde en oostzijde van gemeld perceel I; in aanmerking nemende, dat een en ander is geschied om de eigenaar van perceel I niet meer overlast te bezorgen dan noodzakelijk is, en dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid ook door bovenbedoelde verlegging niet werd verzwaard.
Alsnu verklaarde de comparant, in gemelde hoedanigheid, dat voorschreven erfdienstbaarheid voortaan zal worden uitgeoefend over de op de aan deze akte te hechten plattegrond schetsmatig aangegeven weg.
Tenslotte verklaarde de comparant, namens zijn genoemde lastgevers, dat de op de verlegde weg betrekking hebbende kosten van reparatie en onderhoud, welke noodzakelijk zijn voor een deugdelijke uitoefening van de onderhavige erfdienstbaarheid, worden gedragen door de eigenaars van de percelen II [opm. rechtbank: nummers [perceelnummer 9] en [perceelnummer 4] , nu eigendom van [gedaagde 5] ], III[ [7] ] en IV[ [8] ] ieder voor één/derde gedeelte.
Terzake van de hiervoor bedoelde bijdrage zal jaarlijks vóór een oktober tussen de eigenaren van de heersende erven overleg plaatsvinden, onverminderd de verplichting voor diegene, die zich aan dit overleg onttrekt, om diens aandeel in de vastgestelde bijdrage te voldoen.”
3.8.
De afbeelding hieronder links is een uitsnede van de plattegrond bij de akte met schetsmatig aangegeven de (verlegde) weg. Dit is nog steeds de actuele loop van de weg op het huidige perceel van [eisers] , zoals met een stippellijn weergegeven op de luchtfoto hieronder rechts.
[de rechtbank heeft kadastrale aanduidingen en locatiegegevens weggelakt in verband met anonimisering ten behoeve van openbare publicatie]
3.9.
Op 30 september 1982 kwam het toenmalige perceel [perceelnummer 10] , waaronder het huidige perceel [perceelnummer 11] met het woonhuis (‘landhuisje’) en perceel I uit de akte van 1970 (de kadastrale nummers [perceelnummer 5] , [perceelnummer 6] en een gedeelte van [perceelnummer 7] , nu eigendom van [gedaagde 3+4] ) in handen van dezelfde eigenaar.
3.10.
In een notariële akte van levering van 1 mei 1992 is een gedeelte van de percelen [perceelnummer 5] en [perceelnummer 7] met onder meer het woonhuis aan de [huisnummer 5] overgedragen aan één koper. In de akte is verwezen naar en geciteerd uit de hiervoor bij 3.6 en 3.7 gevestigde erfdienstbaarheden en de verlegging van de weg. Omdat verkoper eigenaar bleef van een gedeelte van die percelen (dat ingesloten raakte) is vervolgens in deze akte een nieuwe erfdienstbaarheid gevestigd. De akte luidt, voor zover van belang:

OMSCHRIJVING ERFDIENSTBAARHEDEN, (…)
(…)
Koper en verkoper verklaren bij deze te vestigen de navolgende erfdienstbaarheid:
Ten behoeve van het aan de verkoper in eigendom verblijvende gedeelte van het verkochte en ten laste van het bij deze verkochte gedeelte van voormeld kadastraal perceel […] wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg, om vanaf het heersend erf de openbare weg te kunnen bereiken, over het thans bestaande pad, deel uitmakende van het dienstbaar erf.
De weg die niet zonder schriftelijke toestemming van de eigenaren van het heersend en dienstbaar erf zal mogen worden verlegd, zal uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van particuliere en agrarische doeleinden, alzo om daarover te voet te gaan, of per rijwiel, motorrijwiel, auto, wagen of ander vervoermiddel in de ruimste zin des woords te rijden.
Het onderhoud en schoonhouden van de uitweg zijn voor rekening van de eigenaar van het lijdend erf.
Het is zowel aan de eigenaar van het heersend erf, als aan die van het dienstbaar erf en aan alle andere personen, die van de uitweg gebruik maken, verboden om vervoermiddelen van welke aard ook of andere zaken of goederen op de uitweg te plaatsen anders dan voor het directe gebruik van de uitweg als zodanig vereist zal zijn, zodat dit gebruik ongehinderd en onverminderd zal kunnen plaats hebben.
Het recht van erfdienstbaarheid zal evenwel een einde nemen indien het heersend erf van aard of bestemming zal worden veranderd.”
3.11.
Bij de akte van 1 mei 1992 is het volgende kaartje gevoegd (productie van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] met hun bewerking ter verduidelijking en anonimisering door de rechtbank). Het schuin gestreepte deel was destijds in handen van één eigenaar. Op enig moment is dat perceel gesplitst. Uiteindelijk is het in handen gekomen van [eisers] (bij benadering: het gekleurde deel) en [gedaagde 6+7] . (bij benadering: de rest van het schuin gestreepte deel) op de wijze zoals bij 3.2 weergegeven.
3.12.
In de leveringsakte waarmee [eisers] hun perceel in 2021 hebben verkregen, is onder de vermelding van erfdienstbaarheden verwezen naar de akte van 16 april 1970 (zie 3.6), de akte van 8 mei 1978 (zie 3.7) en de akte van 1 mei 1992 (zie 3.10 en 3.11).
De huidige situatie / achtergrond van het geschil
3.13.
[eisers] hebben plannen voor aanpassingen op hun perceel van en nabij de weg. Die plannen bestaan uit het plaatsen van (i) een erfafscheiding, in onderstaande afbeelding weergegeven als ovaalvormige symbolen, (ii) een toegangshek, op een van de locaties weergegeven als cirkelvormig symbool en (iii) andere objecten, weergegeven als drie- en vierhoekige symbolen.
3.14.
Het landbouwperceel van [gedaagde 3+4] kan worden bereikt via een toegangshek. Dat hek is in overleg met de rechtsvoorgangers geplaatst, bij benadering op de locatie van de donkere plek links van de naar links afbuigende bocht op de luchtfoto (van de woning van [eisers] ) hieronder. Vroeger was er een ander hek, dat zich bij benadering bevond op de locatie als hieronder met een pijl aangeduid. De beschrijving daarbij is van [gedaagde 3+4] in het kader van hun (bij de beoordeling te bespreken) stellingen.
3.15.
Onderstaande luchtfoto’s tonen de paardenbak van [gedaagde 6+7] ., met ten oosten daarvan de weg. [eisers] en [gedaagde 6] zijn het niet eens over wie eigenaar is van het groen omkaderde driehoekige perceelsgedeelte, weergegeven vanuit beider perspectieven.
3.16.
[eisers] bewaken hun perceel met ten minste twee camera’s. Met een van die camera’s is de onderstaande afbeelding links gemaakt. Op die afbeelding is zichtbaar het grind voor het woonhuis van [eisers] , daarachter de weg en daarachter het hek en het landbouwperceel van [gedaagde 3+4] De afbeelding rechts is gemaakt met een bolcamera die is gericht op de oprijlaan van [eisers] , met daarachter zichtbaar een deel van de weg en het hek op het perceel van [gedaagde 3+4]
3.17.
[eisers] hebben in de berm langs de weg keien geplaatst zoals op de foto links hieronder en een verkeersbord zoals te zien op de foto rechts.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eisers] vorderen, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad:
Jegens [gedaagde 1+2]i. een verklaring voor recht dat ten behoeve van het perceel van [gedaagde 1+2]
géén recht van erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [eisers]
bestaat;
ii. [gedaagde 1+2] te verbieden het toegangspad van [eisers] te gebruiken
– behoudens correcte uitoefening van het ladderrecht ex artikel 5:56 BW Pro – op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 per keer, tot een maximum van € 50 .000,00, dat dit verbod wordt overtreden;
iii. [gedaagde 1+2] te gebieden om aan hun pensiongasten mede te delen dat zij geen gebruik mogen maken van het pad van [eisers] en erop toe te zien dat hun pensiongasten zich hieraan houden;
iv. een verklaring voor recht dat de erfgrens tussen het perceel van [gedaagde 1+2] en [eisers] op kosten van [gedaagde 1+2] , dan wel op kosten van [gedaagde 1+2] en [eisers] gezamenlijk, door middel van een inmeting door het Kadaster wordt vastgelegd en deze grens zakelijke werking zal hebben;
v. een verklaring voor recht dat de beoogde erfafscheiding langs de lijn van de erfgrens tussen het perceel van [gedaagde 1+2] en het pad van [eisers] op het perceel van [eisers] mag worden geplaatst;
vi. een verklaring voor recht dat het is toegestaan dat [eisers] een toegangshek aan het begin van hun pad plaatsen;
Jegens [gedaagde 3+4]
i. een verklaring voor recht dat de beoogde erfafscheiding langs de lijn van de erfgrens tussen het perceel van [gedaagde 1+2] en het pad van [eisers] op het perceel van [eisers] mag worden geplaatst en dit niet belemmerend is in de uitoefening van de bestaande erfdienstbaarheden van [gedaagde 3+4] ;
ii. een verklaring voor recht dat het is toegestaan dat [eisers] een toegangshek aan het begin van hun pad plaatsen en dat [gedaagde 3+4] hierdoor niet worden belemmerd in de uitoefening van het recht van weg voor particuliere doeleinden van en naar het perceel met kadastrale aanduiding Gemeente [perceelnummer 11] ;
iii. een verklaring voor recht dat [gedaagde 3+4] jaarlijks dienen bij te dragen aan de noodzakelijke kosten van onderhoud van het pad waarover het recht van weg voor particuliere doeleinden van en naar het perceel met kadastrale aanduiding Gemeente [perceelnummer 11] dient te worden uitgeoefend voor één derde gedeelte van de totaal gemaakte kosten over dat betreffende jaar;
iv. een verklaring voor recht dat geen erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan ten behoeve van zowel het oude, als het nieuwe toegangshek richting perceel met kadastrale aanduiding Gemeente [perceelnummer 6] ;
v. [gedaagde 3+4] te gebieden dat hun recht van weg voor particuliere doeleinden van en naar het perceel met kadastrale aanduiding Gemeente [perceelnummer 11] moet worden uitgeoefend over het bestaande, verharde gedeelte van het pad op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van
€ 250,00 per keer, tot een maximum van € 50 .000,00 dat dit gebod wordt overtreden;
Jegens [gedaagde 5]
i. een verklaring voor recht dat de beoogde erfafscheiding langs de lijn van de erfgrens tussen het perceel van [gedaagde 1+2] en het pad van [eisers] op het perceel van [eisers] mag worden geplaatst en dit niet belemmerend is in de uitoefening van bestaande erfdienstbaarheden van [gedaagde 5] ;
ii. een verklaring voor recht dat het is toegestaan dat [eisers] een toegangshek aan het begin van hun pad plaatsen en dat [gedaagde 5] hierbij niet wordt belemmerd in de uitoefening van het recht van uitweg;
iii. een verklaring voor recht dat [gedaagde 5] jaarlijks dient bij te dragen aan de noodzakelijke kosten van onderhoud van het pad waarover het recht van uitweg dient te worden uitgeoefend voor één derde gedeelte van de totaal gemaakte kosten over dat desbetreffende jaar;
Jegens [gedaagde 6+7] .
i. [gedaagde 6+7] . te verbieden om het water te lozen op het pad en/of perceel van [eisers] op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 per keer dat dit verbod wordt overtreden;
ii. een verklaring voor recht dat de paardenbak van [gedaagde 6+7] . gedeeltelijk op het perceel van [eisers] is geplaatst;
voorwaardelijk:
Jegens [gedaagde 6+7] .
i. een verklaring voor recht dat de paardenbak van [gedaagde 6] en/of [gedaagde 7] , voor zover deze op het perceel van [eisers] is geplaatst, dient te worden verwijderd en verwijderd dient te blijven;
Jegens [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5]
ii. een verklaring voor recht dat, na verwijdering van de paardenbak van [gedaagde 6] en/of [gedaagde 7] , voor zover deze op het perceel van [eisers] is geplaatst, de beoogde erfafscheiding langs de lijn van de erfgrens tussen het perceel van [gedaagde 1+2] en het pad van [eisers] op haar eigen perceel mag worden geplaatst en dit niet belemmerend is voor de uitoefening van het recht van uitweg van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] ;
steeds:gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten met rente.
4.2.
[gedaagde 1+2] concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
4.3.
[gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten, met wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.
4.4.
[gedaagde 6+7] . concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de (volledige) proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie
De vorderingen van [gedaagde 1+2]
4.5.
[gedaagde 1+2] vorderen, na vermeerdering van eis, uitvoerbaar bij voorraad:
[eisers] te veroordelen om binnen drie dagen na de datum van het vonnis de volgende camera’s te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag(deel) met een maximum van € 20.000,00:
de camera die gericht is op het pad, waarvan beelden door [eisers] zijn overgelegd als productie 9 bij de dagvaarding;
de camera’s die met een gele pijl zijn aangegeven als productie 7 bij akte eisvermeerdering van [gedaagde 1+2] ;
met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
4.6.
[eisers] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde 1+2] in hun vorderingen, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde 1+2] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
De vorderingen van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5]
4.7.
[gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] vorderen – na intrekking van vordering 6 bij de mondelinge behandeling – uitvoerbaar bij voorraad:
namens [gedaagde 3+4] :
[eisers] hoofdelijk te gebieden toe te staan dat de erfdienstbaarheid van weg die op 1 mei 1992 is gevestigd ten nutte van het perceel kadastraal bekend als gemeente [perceelnummer 6] en ten laste van het perceel [perceelnummer 12] op de oorspronkelijke wijze, zoals weergegeven op de tekening die als productie 15 in het geding is gebracht (zie 3.14), onbelemmerd en ongehinderd wordt uitgeoefend, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat niet aan de veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 20.000,00;
te verklaren voor recht dat een erfdienstbaarheid van uitweg bestaat voor particuliere doeleinden ten nutte van [huisnummer 3] , kadastraal bekend als gemeente [perceelnummer 11] en voor agrarische doeleinden ten nutte van het (agrarisch) perceel [perceelnummer 6] en ten laste van het op het kadastrale perceel gemeente [perceelnummer 12] gelegen pad om te komen en te gaan van en naar de [straat] , door vestiging op 1 mei 1992 (leveringsakte [leveringsaktenummer]) dan wel door verjaring;
namens [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5]
3. [eisers] hoofdelijk te gebieden de erfdienstbaarheid van uitweg voor het particuliere gebruik ten nutte van het perceel kadastraal bekend als gemeente [perceelnummer 11] ( [huisnummer 3] ) alsmede het bedrijfsmatig agrarisch gebruik ten nutte van de percelen kadastraal bekend als gemeente [perceelnummer 9] , [perceelnummer 4] ( [huisnummer 4] en percelen van [gedaagde 5] ) en [perceelnummer 6] (percelen [gedaagde 3+4] ) onbelemmerd en ongehinderd te laten gebruiken, door geen obstakels op de toegangsweg te plaatsen, geen auto’s op het toegangspad te parkeren en door de volgens de CROW normering benodigde vrije ruimte en de rijcurves nabij het verharde gedeelte van de toegangsweg te respecteren en niet (verder) te beperken op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat niet aan de veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 20.000,00;
4. [eisers] hoofdelijk te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van het vonnis de keien in de bocht (zie productie 17, 3.17), het verkeersbord bij de [straat] (zie productie 16, 3.17) en de haag bij de voordeur van [eisers] (productie 9 bij dagvaarding) staande en gelegen op althans nabij het toegangspad op het perceel [perceelnummer 12] , te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat niet aan de veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 20.000,00;
5. [eisers] hoofdelijk te veroordelen om binnen drie dagen na het vonnis de camera die gericht is op het perceel kadastraal bekend als gemeente [perceelnummer 6] te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag(deel) met een maximum van € 20.000,00;
Met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten, met wettelijke rente.
4.8.
[eisers] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] in hun vorderingen, althans afwijzing van de vorderingen, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
De vorderingen van [gedaagde 6+7] .:
4.9.
[gedaagde 6+7] . vorderen, uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat de formele grens tussen beide percelen van de heer [gedaagde 6] en [eisers] ter hoogte van de bestreden Driehoek de lijn betreft die gecreëerd is door het glooiend langs het pad geplaatste hek en de zich aan de heer [gedaagde 6] zijde bevindende Driehoek dus zonder enige compensatie behoort bij het perceel van de heer [gedaagde 6] en niet bij dat van [eisers] ;
[eisers] hoofdelijk te veroordelen om op straffe van een dwangsom van
€ 5.000,00 per dag medewerking te verlenen aan de kadastrale grenscorrectie conform hiervoor sub i. omschreven;
te bepalen dat het vonnis, indien [eisers] niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis hun medewerking conform sub ii. hierboven omschreven hebben verleend, naast het opeisbaar zijn geworden van de boete over die 14 dagen, dezelfde kracht heeft als de verklaring van [eisers] aan het Kadaster dat zij meewerken aan de grenscorrectie conform hiervoor sub i. omschreven; en
[eisers] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van al de heer [gedaagde 6] ’s kosten die met een dergelijke Kadastrale aanpassing zijn gemoeid;
met veroordeling van [eisers] in de (volledige) proceskosten.
4.10.
[eisers] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde 6+7] . in hun vorderingen, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde 6+7] . in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
in het (voorwaardelijke) incident
4.11.
[gedaagde 6+7] . vorderen, onder de voorwaarde dat de vorderingen van [eisers] niet direct bij vonnis na mondelinge behandeling worden afgewezen, dat het geding van [eisers] tegen [gedaagde 6+7] . wordt gesplitst van de zaak tegen de andere gedaagden.
4.12.
[eisers] concluderen tot afwijzing van de incidentele vorderingen.

5.De beoordeling

in conventie
De eiswijziging
5.1.
Op de mondelinge behandeling hebben [eisers] bij akte tijdig hun eis gewijzigd. [gedaagde 1+2] hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. Zolang nog geen eindvonnis is gewezen, bestaat in beginsel een bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis. [9] De rechtbank zal dan ook beslissen op de gewijzigde eis, zoals vermeld bij 4.1.
Het bestaan van erfdienstbaarheden
Ten gunste van de percelen van [gedaagde 1+2] en [gedaagde 6+7] . bestaat geen erfdienstbaarheid op de weg. Dit betekent niet zonder meer dat [gedaagde 1+2] de weg niet mogen betreden.
5.2.
In deze procedure is niet (meer) in discussie dat geen erfdienstbaarheid bestaat ten laste van het perceel van [eisers] en ten gunste van de percelen van [gedaagde 1+2] respectievelijk [gedaagde 6+7] . De percelen van [gedaagde 1+2] en [gedaagde 6+7] . hebben overigens een eigen uitweg naar de openbare weg en zijn dus niet afhankelijk van de weg over het perceel van [eisers] Los daarvan maken [gedaagde 1+2] feitelijk wel gebruik van de weg op het perceel van [eisers] om de achtergelegen percelen van [gedaagde 3+4] en van [gedaagde 5] te bereiken voor privé-bezoek en voor het uitvoeren van werkzaamheden – ook met landbouwvoertuigen – op en aan die woonpercelen en het agrarische perceel van [gedaagde 3+4] (op grond van een overeenkomst). [gedaagde 1+2] hebben aangevoerd dat zij de weg niet meer voor andere doeleinden betreden. [eisers] hebben dat niet gemotiveerd betwist.
5.3.
Gelet op het voorgaande wordt de bij 4.1 genoemde vordering i jegens [gedaagde 1+2] afgewezen wegens gebrek aan belang. Waar partijen het over eens zijn, hoeft niet voor recht te worden verklaard. Het onder ii gevorderde verbod jegens [gedaagde 1+2] om het pad (de weg) te betreden is evenmin toewijsbaar. Gelet op de hierna te bespreken erfdienstbaarheden van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] is het komen en gaan over de weg naar de percelen van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] door [gedaagde 1+2] niet onrechtmatig. De erfdienstbaarheden zijn geen persoonlijke maar zakelijke rechten, ten behoeve van de bereikbaarheid van die percelen. Ook bezoekers (van de heersende erven) kunnen gebruikmaken van die rechten. [gedaagde 1+2] hebben verder toegelicht dat hun pensiongasten al worden geïnstrueerd dat zij de weg niet mogen betreden, zodat het gevorderde gebod niet nodig is. Van [gedaagde 1+2] kan bovendien niet worden verwacht dat zij continu toezicht houden op hun gasten. Vordering iii jegens [gedaagde 1+2] wordt daarom ook afgewezen.
Door vestiging is een erfdienstbaarheid voor agrarische doeleinden ten gunste van het huidige perceel van [gedaagde 5] en ten laste van het perceel van [eisers] ontstaan, die nog bestaan
5.4.
Niet in geschil is dat ten gunste van het perceel van [gedaagde 5] een erfdienstbaarheid bestaat. Die erfdienstbaarheid is ontstaan door vestiging bij akte van 16 april 1970 (zie 3.6). Het betreft een erfdienstbaarheid ‘over de thans bestaande laan’ (in dit vonnis aangeduid als ‘weg’) voor agrarische doeleinden. De verlegging van de weg in de akte van 8 mei 1978 (zie 3.7) sluit aan bij de akte van 1970, waarnaar ook wordt verwezen. Het in de akte van 1970 genoemde perceel II, is het huidige perceel van [gedaagde 5] aan de [huisnummer 4] , nu bekend onder de kadastrale nummers [perceelnummer 9] en [perceelnummer 4] . Gesteld noch gebleken is dat deze erfdienstbaarheid teniet zou zijn gegaan. Dit betekent dat nog steeds een erfdienstbaarheid van weg voor agrarische doeleinden bestaat, die over de destijds bestaande laan liep en die nadien is verlegd naar de huidige locatie van de weg.
5.5.
De erfdienstbaarheid voor agrarische doeleinden impliceert dat ook de uitoefening van de erfdienstbaarheid voor (minder belastend) particulier gebruik is toegelaten. Dit vindt ook steun in de bewoordingen in de akte: “
Deze erfdienstbaarheid wordt niet gevestigd indien de heersende erven worden aangekocht door eigenaren van aangrenzende percelen, in welk geval deze erfdienstbaarheid slechts zal bestaan voor particuliere doeleinden ten behoeve van het op perceel II staande woonhuis.
Ongeacht of expliciet een erfdienstbaarheid voor particuliere doeleinden is gevestigd, is de conclusie dat [gedaagde 5] op grond van deze erfdienstbaarheid gerechtigd is om van de [straat] over de weg op het perceel van [eisers] te komen en te gaan naar zijn perceel met woonhuis.
Door vestiging en door verjaring zijn erfdienstbaarheden ten gunste van de percelen van [gedaagde 3+4] ontstaan, die nog bestaan
5.6.
[eisers] stellen dat [gedaagde 3+4] niet op grond van een erfdienstbaarheid over de weg op het perceel van [eisers] naar hun percelen mogen gaan. De enige rechtsgrond voor gebruik van de weg door [gedaagde 3+4] is een noodweg in verband met de ingesloten ligging van hun percelen, aldus [eisers]
[gedaagde 3+4] betwisten dat en stellen dat ten gunste van hun percelen wel erfdienstbaarheden bestaan, hetzij door vestiging, hetzij door verjaring tot stand gekomen.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat in 1970 een erfdienstbaarheid van uitweg voor agrarische doeleinden is gevestigd ten behoeve van perceel VI, waartoe [huisnummer 3] behoorde, destijds als onderdeel van perceel [perceelnummer 10] (zie 3.6). Perceel [perceelnummer 6] , het huidige landbouwperceel van [gedaagde 3+4] , was al in handen van de toenmalige kopers van perceel [perceelnummer 10] . In dezelfde akte is een erfdienstbaarheid voor particuliere doeleinden gevestigd ten gunste van perceel VII, waarvan het huidige perceel [perceelnummer 11] en woonperceel van [gedaagde 3+4] , onderdeel was. Deze erfdienstbaarheden komen niet terug in de akte van 1978 waarbij de weg (belast met erfdienstbaarheden) werd verlegd (zie 3.7). De rechtbank gaat ervan uit dat de bewuste erfdienstbaarheden op enig moment door vermenging [10] teniet zijn gegaan; in elk geval in 1982 toen de percelen I (destijds [huisnummer 5] , [adres] (voormalig ‘Ketelhuis’) en perceel [perceelnummer 6] ), VI (waaronder [huisnummer 3] ) en VII uit de akte van 1970 in handen van dezelfde eigenaar kwamen (zie 3.9).
5.8.
Bij akte van levering van 1 mei 1992 (zie 3.10) heeft de hiervoor bedoelde verkrijger een deel van het toenmalige perceel [perceelnummer 5] en een deel van perceel [perceelnummer 7] (de latere percelen van [eisers] en [gedaagde 6] ) overgedragen. Het andere deel van perceel [perceelnummer 7] bleef behouden. Dat betreft een strook water met een pad erlangs, dat loopt voorbij het huidige woonhuis van [gedaagde 3+4] Via die strook en de dam over het water kunnen [gedaagde 3+4] hun woonhuis feitelijk bereiken, zoals dat (in elk geval) sinds 1992 onbetwist ook altijd gebeurde, gelet op onmogelijkheid om het woonperceel via een andere weg te bereiken. In de bewuste akte van 1992 is een erfdienstbaarheid voor agrarische en particuliere doeleinden gevestigd ten gunste van (voor zover hier van belang) het huidige agrarische perceel van [gedaagde 3+4] (perceel C2 op de kadastrale kaart bij 3.2). Het huidige woonperceel van [gedaagde 3+4] komt hierin niet voor en op het agrarische perceel werd en wordt niet gewoond. Denkbaar is dat wel de bedoeling is geweest voor het woonperceel een erfdienstbaarheid te vestigen, gelet op het jarenlange gebruik als zodanig in combinatie met het expliciet in de hiervoor genoemde erfdienstbaarheid beschreven particuliere doel, dat moeilijk te verenigen is met een agrarisch perceel dat niet wordt bewoond. Hoe dit ook zij, dat expliciet ten gunste van het huidige woonperceel van [gedaagde 3+4] een erfdienstbaarheid (voor particuliere doeleinden) is gevestigd, kan aan de hand van de voorliggende aktes niet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
5.9.
De rechtbank oordeelt dat ten gunste van perceel [perceelnummer 11] (“C1”), het woonperceel van [gedaagde 3+4] , wel een erfdienstbaarheid is ontstaan door voltooide bevrijdende verjaring [11] , om de navolgende redenen.
5.10.
[gedaagde 3+4] hebben gemotiveerd gesteld dat de verjaring op 1 mei 1992 is aangevangen, toen het gebruik van de weg als enige toegangsmogelijkheid vanaf de openbare [straat] naar de woning aan de [huisnummer 3] op het huidige woonperceel “C1” door de toenmalige verkrijger aanving, en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet. [eisers] hebben het door [gedaagde 3+4] gestelde feitelijke gebruik van de weg niet betwist, maar menen dat – in verband met de (gestelde) noodweg – geen sprake is van bezit.
5.11.
De verjaring(stermijn) begint te lopen als sprake is van bezit [12] . Bezit moet voor derden voldoende kenbaar zijn, wat onder meer betekent dat de rechthebbende uit de gedragingen van degene die zich op verjaring beroept objectief gezien moet kunnen opmaken dat dit ten koste gaat van zijn eigendomsrecht. Zolang dat niet het geval is, hoeft er voor de rechthebbende immers geen reden te zijn om actie te ondernemen.
5.12.
Gelet op deze maatstaf en de vaststelling dat het pad in elk geval sinds 1 mei 1992 steeds is gebruikt om vanaf de [straat] te komen en te gaan naar het woonperceel, is in elk geval sinds 1 mei 2012 de rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit verjaard en hebben [gedaagde 3+4] een erfdienstbaarheid voor particuliere doeleinden ten gunste van hun woonperceel verkregen. [13] De stelling van [eisers] dat [gedaagde 3+4] slechts gebruikmaken van de weg op grond van een noodweg, onderschrijft het feitelijk gebruik van de weg. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde 3+4] ooit aanwijzing van een noodweg [14] ten gunste van hun perceel hebben gevorderd (en verkregen) die aan het bezit in de weg zou staan. Het beroep van [eisers] op een noodweg – dat impliceert dat geen sprake kan zijn van bezit maar slechts van houderschap – wordt daarom afgewezen wegens gebrek aan feitelijke grondslag en leidt dus niet tot een ander oordeel.
Verder is hiervoor al overwogen (onder 5.7) dat in 1992 een erfdienstbaarheid voor agrarische en particuliere doeleinden is gevestigd ten gunste van het huidige agrarische perceel van [gedaagde 3+4]
Geen grond voor het jegens [gedaagde 1+2] gevorderde verbod om de weg te betreden
5.13.
In verband met de hiervoor vastgestelde rechten uit erfdienstbaarheden strandt ook vordering ii jegens [gedaagde 1+2] Weliswaar hebben zij geen direct recht van erfdienstbaarheid voor hun perceel, maar zij hebben onweersproken aangevoerd dat zij het pad (enkel) gebruiken om de percelen van hun buren [gedaagde 5] en [gedaagde 3+4] te gebruiken voor de bij 5.2 genoemde doeleinden. Gelet op de rechten uit erfdienstbaarheden van die buren is dat gebruik niet ontoelaatbaar. Het door [eisers] gevorderde verbod om het pad te gebruiken strandt daarop.
Rechten en verplichtingen in verband met de bestaande erfdienstbaarheden
[eisers] mogen de uitoefening van de erfdienstbaarheden niet belemmeren en moeten hun plannen met hun perceel daarop aanpassen
5.14.
Hiervoor heeft de rechtbank het bestaan van erfdienstbaarheden voor particuliere en agrarische doeleinden vastgesteld. De reikwijdte van die erfdienstbaarheden is van belang voor de verdere beoordeling van diverse geschilpunten. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de eigenaren van de heersende erven, in dit geval: [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] , bevoegd zijn om op hun kosten op het dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening – op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze – van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is. [15] De eigenaar van het heersende erf is ook bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf werken aan te brengen die voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn. [16] In de akte van vestiging kan van deze wettelijke bepalingen worden afgeweken. [17] Voor de vraag wat [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] als eigenaren van heersende erven op grond van de erfdienstbaarheden mogen, wat [eisers] als eigenaren van het dienend erf moeten dulden en in het verlengde daarvan ook voor de vraag wat [eisers] zelf met hun (met erfdienstbaarheid belaste) perceel mogen, is van belang wat de akte over de (wijze van) uitoefening bepaalt.
5.15.
De bedoeling van partijen bij bepalingen in de akte moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving in de akte, bezien in het licht van de gehele inhoud ervan. Indien de akte voor meerdere uitleg vatbaar is, moet de rechter vaststellen welke uitleg van de akte naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is. [18] Voor zover regels hieromtrent niet uit de akte kunnen worden afgeleid, is leidend de plaatselijke gewoonte of bij het ontbreken daarvan de wijze waarop te goeder trouw geruime tijd van de erfdienstbaarheid gebruik is gemaakt. [19]
5.16.
Aan de hand van deze maatstaf kan uit de aktes worden afgeleid dat de erfdienstbaarheid voor zowel de agrarische als particuliere doeleinden moet worden uitgeoefend over de (verlegde) weg zoals die nog steeds loopt over het perceel van [eisers] Breedtebeperkingen van de weg worden in geen van de aktes genoemd. Andere aanwijzingen van welk deel van het dienende erf tot weg zou zijn bestemd en beperkingen aan (de breedte en/of soort van) vervoermiddelen evenmin. Over de wijze van gebruik is niets vastgelegd, behalve dat de erfdienstbaarheid ten gunste van het perceel van [gedaagde 3+4] volgens de akte van 1992 te voet, per rijwiel, auto, wagen of ander vervoermiddel en wel in de ruimste zin van het woord mag worden uitgeoefend.
Voor de uitleg van de erfdienstbaarheden in de aktes, is verder de daaruit af te leiden gang van zaken met betrekking tot de diverse betrokken en in de aktes genoemde percelen van belang. Relevant is dat de percelen van [eisers] en alle buren oorspronkelijk in handen waren van één familie en dat wonen en de uitoefening van een landbouwbedrijf samengingen. Toen het perceel werd gesplitst, moest er een voorziening komen om het perceel dat ingesloten raakte aan te sluiten op de openbare weg. Daarvoor werden in 1970 erfdienstbaarheden gevestigd voor gebruik van de weg (zie 3.6). De weg is enkele jaren later verlegd naar de locatie zoals ingetekend op het kaartje bij de akte uit 1978 (zie 3.7). De loop van de weg op dat kaartje is nog steeds actueel. Het kaartje vormt dan ook een belangrijke basis voor de uitleg van de aktes. Zichtbaar is een handgetekende weg, zonder exacte maatvoering.
5.17.
Na 1978 heeft wederom een perceelsplitsing plaatsgevonden en zijn [eisers] en [gedaagde 6] uiteindelijk eigenaren geworden van hun huidige percelen (zie 3.11). [eisers] hebben het perceel gekocht dat de bestaande weg omvat (het dienende erf).
De zuidelijke sliert/strook van het perceel omvat niet meer dan de weg met berm. De weg loopt vanaf de [straat] tussen de percelen van [gedaagde 6+7] . en [gedaagde 1+2] door, dan om het woonperceel van [eisers] heen richting en over de percelen van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] . Gelet op deze vaststellingen is een redelijke interpretatie van de akte met bijbehorend kaartje dat het sliertvormige deel van het perceel van [eisers] niet meer is dan omkadering van het eerste deel van de weg. Er is redelijkerwijs geen sprake van een tuin of andere directe betrokkenheid bij het woonperceel anders dan als toegangsweg.
In combinatie met het ontbreken van maatvoering op het kaartje bij de akte en/of in de akte zelf, rechtvaardigt dit de conclusie dat het hele hiervoor beschreven sliertvormige deel door [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] op de minst bezwaarlijke wijze mag worden gebruikt voor de uitoefening van de erfdienstbaarheden ten gunste van hun percelen.
Ook voor het vervolg van de weg geldt dat het perceelsgedeelte waarvan gebruik mag worden gemaakt, zich niet beperkt tot het verharde deel van de weg.
Die uitleg vindt ook steun in het feit dat ‘de destijds bestaande laan’ onverhard was en de niet betwiste verklaring tijdens de mondelinge behandeling dat de weg daarna lange tijd een breed ‘puinpad’ was, dat weer later is verhard met een strook asfalt, uit kostenbesparing smaller dan het puinpad.
Verder past die uitleg bij de vaststelling dat de weg (het sliertvormige deel en het vervolg) voor agrarische doeleinden gebruikt mag worden zonder beperkingen. Binnen die vaststelling moeten [eisers] als eigenaren van het dienende erf aanvaarden dat de ontwikkeling in de tijd groter materieel met zich meebrengt dat de breedte van het verharde deel van de weg overschrijdt, waarbij de berm als zwenk- en draairuimte wordt gebruikt. [eisers] stellen dan ook ten onrechte dat de erfdienstbaarheid niet meer omvat dan het verharde deel van het de weg met daaraan gerelateerde breedtematen.
5.18.
Het voorgaande vormt het kader waarbinnen [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] hun erfdienstbaarheden voor agrarische en particuliere doeleinden op een behoorlijke wijze moeten kunnen uitoefenen, op de voor het perceel van [eisers] minst bezwarende wijze. Dat [eisers] dit moeten dulden speelt een belangrijke rol bij de vraag in hoeverre zij als eigenaren bevoegd zijn hun erf af te sluiten [20] met de door hen gewenste erfafscheiding en het door hen gewenste hek. Die bevoegdheid is niet onbeperkt en vindt in elk geval haar grens waar de behoorlijke uitoefening van de erfdienstbaarheden wordt belemmerd. Die uitoefening wordt onder meer bepaald door de landbouwvoertuigen, de draaicirkels en de mogelijkheid van tegenliggers op de lange smalle weg. Een groot deel van de weg is daarvoor ook geschikt en breed genoeg. Ter hoogte van de paardenbak, waar de weg op zijn smalst is, en in de bochten, is dit anders. Daar is de ruimte zo minimaal dat ‘schrikblokken’ of andere obstakels zonder meer een belemmering vormen. Obstakels mogen daar niet op het verharde en onverharde deel van de weg met berm worden geplaatst omdat de berm vrijgehouden moet worden als manoeuvreerruimte zonder risico op schade. Voor vrijhouden is onvoldoende dat obstakels verplaatsbaar zijn, zoals [eisers] met betrekking tot de basketbalpaal hebben aangevoerd.
De erfafscheiding
5.19.
Het antwoord op de vraag of de erfafscheiding belemmerend is, hangt in belangrijke mate af van de locatie en de loop van de weg met versmallingen, knikken en bochten. Ter hoogte van dergelijke afwijkingen van het rechte pad ligt het voor de hand dat manoeuvreren in de krappe ruimte moeilijk is, zodat daar al snel sprake zal zijn van een belemmering. In dat licht en gelet op het standpunt van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] dat een erfafscheiding tot problemen in de doorgang gaat leiden voor een normale exploitatie van hun percelen, hebben [eisers] onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat met het plaatsen van de door hen gewenste erfafscheiding voldoende breedte overblijft. Voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] het onder 3.13 ingevoegde kaartje met symbolen voor globale plannen overgelegd, zonder maatvoering en daardoor niet concreet toetsbaar aan de hiervoor beschreven maatstaf. De enkele mededeling op zitting dat de constructie van de erfafscheiding tot zo’n 7 cm breedte beperkt blijft, is niet voldoende om de aannemelijkheid van de belemmering ter plaatse van bochten, knikken en versmallingen weg te nemen. Hoe dan ook vergroot een ‘harde’ erfafscheiding bij smalle wegdelen het risico op beschadiging van die erfafscheiding en/of voertuigen.
5.20.
Voor het overige, noordelijker, langs de ogenschijnlijk rechte perceelsgrens met [gedaagde 1+2] met voldoende breedte, zou een erfafscheiding in beginsel geen belemmering hoeven opleveren als de afscheiding strak tegen de perceelsgrens wordt geplaatst, maar steeds zal dit afhangen van de concrete feitelijke situatie aan de hand van de hiervoor bij 5.14-5.19 genoemde maatstaf. Gelet op die maatstaf zal naar inschatting van de rechtbank bij 6 meter inclusief berm (vgl. het door [gedaagde 3+4] ingebrachte rapport van [naam] over het profiel van vrije ruimte) als te respecteren doorgang in de regel op rechte stukken geen sprake zijn van een belemmering. Bij de bochten zal meer ruimte nodig zijn. Wat betreft de afgrenzing van het woon- en tuinperceel van [eisers] geldt dan ook dat in de bochten voldoende ruimte gegeven moet worden. [eisers] hebben op deze punten geen concreet uitgewerkt plan gepresenteerd dat aan de hiervoor beschreven maatstaf kan worden getoetst, maar duidelijk is wel dat hun ideeën om de ruimte in de bocht(en) te benutten voor het plaatsen van een bouwwerk niet op voorhand aanvaardbaar zijn.
Het toegangshek
5.21.
Ook het plaatsen van een toegangshek is gelet op dezelfde maatstaf (5.14-5.19) al snel belemmerend, vooral voor het landbouwmaterieel dat op een behoorlijke wijze toegang moet krijgen tot de weg. Verder is een groot aantal derden bedrijfsmatig betrokken bij de achterliggende percelen. De aangevoerde argumenten voor de noodzaak de percelen ongehinderd te kunnen bereiken zijn plausibel. Het gaat ten eerste om het belang van veiligheid; het te allen tijde kunnen bereiken en verlaten van de percelen door hulpdiensten en het voorkomen van gevaarlijke verkeerssituaties door bijvoorbeeld het achteruit de [straat] oprijden. Daarnaast gaat het ook om de toegankelijkheid voor pakketbezorgers en andere bezoekers zonder dat daarvoor een elektronische bediening (al dan niet op afstand) nodig is. Daartegenover staat het gerechtvaardigde belang van [eisers] om hun woonperceel af te sluiten, maar dat hoeft niet per se op een van de nu door hen aangewezen locaties bij de weg, maar kan ook in de directe nabijheid van hun woonperceel, wat ook logischer is.
5.22.
De stelling van [eisers] dat de erfdienstbaarheden niet op de minst bezwarende wijze worden uitgeoefend, overtuigt niet. Dat onnodig groot landbouwmaterieel wordt gebruikt, hebben [eisers] in het licht van ontwikkelingen in de loop der tijd en verder gelet op de gemotiveerde betwisting door de betreffende buren, onvoldoende onderbouwd. Het argument dat [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] ook over het perceel van [gedaagde 1+2] of het gemeenteperceel naar de achtergelegen percelen kunnen gaan, heeft geen juridische grondslag. Op die percelen hebben zij immers geen erfdienstbaarheid en als dat wel zo zou zijn, dan betekent dat niet (zonder meer) dat daarom geen of beperkter gebruik mag worden gemaakt van de erfdienstbaarheden, dus van de weg over het perceel van [eisers]
5.23.
De conclusie is dat alle vorderingen van [eisers] die betrekking hebben op de erfafscheiding en het hek in verband met de erfdienstbaarheden worden afgewezen.
De vorderingen op deze onderdelen jegens [gedaagde 1+2] delen het lot van die afwijzing en behoeven geen verdere afzonderlijke beoordeling.
5.24.
Vordering iv jegens [gedaagde 1+2] met betrekking tot het inmeten van de erfgrens en daaraan te geven zakelijke werking moet ook in dit licht worden beschouwd. De grondslag van die vordering is het plan van [eisers] om een erfafscheiding te plaatsen, en hangt dus samen met het al dan niet belemmeren van de uitoefening van de erfdienstbaarheden. De beoordeling onder 5.19 geldt daarom ook voor deze vordering en leidt ertoe dat [eisers] geen belang hebben bij toewijzing van deze vordering. Het staat hen vrij om zelf een meting te laten doen, maar voor een verplichting tot medewerking, laat staan bijdrage in de kosten, bestaat geen rechtsgrond.
[eisers] , [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] moeten de onderhoudskosten delen
5.25.
[eisers] vorderen van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] dat zij in verband met hun erfdienstbaarheden (ieder van deze gedaagden voor eenderde deel) moeten bijdragen in de jaarlijkse kosten van onderhoud van het pad en beroepen zich daartoe op de akte uit 1978 en op de redelijkheid vanwege het dagelijkse gebruik van het pad.
5.26.
[gedaagde 3+4] betogen dat de vordering te onduidelijk en onbepaald is.
[eisers] menen enerzijds dat [gedaagde 3+4] hooguit een recht van noodweg hebben en geen erfdienstbaarheid en beroepen zich anderzijds op een bepaling over kostenverdeling in de akte van vestiging van erfdienstbaarheid. Dat is onnavolgbaar, aldus [gedaagde 3+4] Naar de letter van de akte van 1 mei 1992 zijn de kosten voor [eisers] en voor zover sprake is van verkrijging van een erfdienstbaarheid door verjaring geldt dat sinds 1992 nooit structurele bijdragen zijn gedaan en dat niet is deelgenomen aan overleggen hierover omdat zij meenden dat de bepalingen uit de akte van 1992 golden. Dat de rechtsvoorgangers [eisers] op eigen kosten het pad hebben onderhouden, ondersteunt die gedachte, aldus [gedaagde 3+4]
5.27.
[gedaagde 5] beroept zich op de akte uit 1978, waarin is bepaald dat jaarlijks tussen de eigenaren van de heersende erven overleg dient plaats te vinden en dat de kosten worden gedragen door de eigenaars van de heersende erven. De vordering van [eisers] strookt daar niet mee, aldus [gedaagde 5] .
5.28.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van de vorderingen met betrekking tot de onderhoudskosten weliswaar aanknopingspunten, maar geen concreet uitsluitsel kan worden gevonden in de aktes uit 1978 (zie 3.7) en 1992 (zie 3.10). De eerstgenoemde akte omvat de regeling dat de kosten voor reparatie en onderhoud worden verdeeld over de drie heersende erven. Het gaat om de huidige percelen van [gedaagde 5] , [gedaagde 3+4] en de gemeente [woonplaats] . De akte uit 1992 betreft een nieuw gevestigde erfdienstbaarheid van gelijke strekking, maar regelt dat het onderhoud en schoonhouden van de uitweg voor rekening van de eigenaar van het lijdend erf, ofwel dienend erf, zijn; volgens die omschrijving zijn de kosten voor [eisers]
5.29.
De rechtbank overweegt dat de erfdienstbaarheden ten gunste van de percelen van [gedaagde 3+4] voor het landbouwperceel door vestiging in 1992 en voor het woonperceel door verjaring zijn ontstaan (zie 5.6-5.12). Volgens de eigen stellingen van [gedaagde 3+4] was het de bedoeling dat in 1992 ook ten behoeve van het woonperceel een erfdienstbaarheid werd gevestigd. In die akte is geregeld dat de onderhoudskosten van het pad voor rekening van de eigenaren van het dienend erf zijn. Gelet op de bepalingen in de aktes van 1978 en van 1992 ligt voor de hand dat bij die beoogde vestiging dan ook een regeling voor kostenverdeling zou zijn gemaakt.
5.30.
Uit dit samenstel van omstandigheden, bestaande en ontbrekende regels, kan niet de door alle betrokkenen gewenste eensluidende lijn worden gehaald. In deze situatie vindt de rechtbank binnen het kader van het burenrecht de oplossing in de redelijkheid en de verhouding tot elkaar als goede buren. De rechtbank acht in deze situatie redelijk dat [eisers] , [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] , als eigenaren van respectievelijk gerechtigden tot de erfdienstbaarheden, en allen daarmee de vaste gebruikers van de weg, in gelijke delen bijdragen aan de noodzakelijke kosten van onderhoud daarvan, in onderling overleg te bepalen. Deze wijze van verdeling sluit aan bij de bepaling over onderhoudskosten in de akte van 1978. Verder is in aanmerking genomen dat [gedaagde 3+4] zelf ook hebben aangevoerd dat zij wel willen bijdragen aan het onderhoud van het pad, maar alleen voor zover de kosten noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van de erfdienstbaarheid. Welke kosten noodzakelijk zijn, dient in onderling overleg te worden bepaald. Dit betekent dat de gevorderde verklaringen voor recht worden toegewezen op de wijze zoals vermeld in de beslissing.
Vorderingen tegen [gedaagde 6+7] met andere grondslag dan een erfdienstbaarheid
Er is geen sprake van onrechtmatig lozen van water en dus geen grond voor een verbod
5.31.
[eisers] stellen dat [gedaagde 6+7] . onrechtmatig handelen [21] door in hun paardenbak opgevangen water te lozen op de weg van [eisers] Daarvan ondervinden [eisers] hinder door snellere slijtage van de weg en als gevolg daarvan meer noodzakelijk onderhoud.
5.32.
[gedaagde 6+7] . betwisten dat zij onrechtmatig handelen; wat er feitelijk gebeurt is een kwestie van natuurlijk en onvermijdelijk afwateren na (zware) regenval. Op grond van de wet moeten [eisers] dat dulden, aldus in het kort [gedaagde 6+7] .
5.33.
Uitgangspunt is dat lagere erven het water moeten ontvangen dat van hoger gelegen erven van nature afloopt, [22] mits de eigenaar van het hoger gelegen erf niet in een mate of op een wijze die onrechtmatig is, aan de eigenaar van het lagere erf hinder toebrengt door wijziging te brengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over zijn erf stromend water of van het grondwater. [23]
5.34.
Ter zitting hebben [eisers] toegelicht dat de feitelijk als bassin functionerende paardenbak met daarin opgevangen water hinder veroorzaakt, door de combinatie met feitelijke handelingen van [gedaagde 6] , zoals het weghalen van planken om water weg te laten lopen naar het pad, waardoor volgens [eisers] een kolkende massa ontstaat die zorgt voor snellere slijtage van de weg.
[gedaagde 6+7] . hebben de gestelde feitelijke handelingen betwist en verder aangevoerd dat op de plek waar voorheen sprake was van een naar het perceel van [eisers] aflopende helling kleigrond, nu de paardenbak ligt met daarin zand dat water juist opneemt en zorgt voor een meer geleidelijke afwatering. Van een kolkende massa is (juist daardoor) geen sprake, aldus [gedaagde 6+7] . [eisers] hebben deze stellingname over de oude situatie niet betwist. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] verklaard dat de grond onder de paardenbak glooiend afloopt naar hun perceel. Ook verder hebben zij hun stellingen op dit punt, tegen de achtergrond van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 6+7] ., niet voldoende (nader) onderbouwd, terwijl dat wel op hun weg had gelegen. De conclusie is dat de plaatsing van de paardenbak op zichzelf niet tot een verslechtering heeft geleid voor het lager gelegen erf van [eisers] , laat staan dat die plaatsing onrechtmatig is. Van feitelijke handelingen die de hinder op ongeoorloofde wijze vergroten, zodanig dat dit onrechtmatig is, is niet gebleken. Zelfs voor zover sprake is van het onder omstandigheden bevorderen van het wegstromen van water, geldt dat dit niet zonder meer als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Ervan uitgaande dat dit niet onnodig en met voorzichtigheid gebeurt, gaat het om het weglopen van water dat anders evenzeer naar het perceel van [eisers] zou zijn gestroomd, zoals dat altijd is geweest. Dit geldt ook als er andere technische oplossingen denkbaar zouden zijn, al was het maar vanwege de kosten die dat met zich meebrengt. Het bewijsaanbod van [eisers] op dit punt wordt daarom gepasseerd en het gevorderde verbod wordt afgewezen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
Locatie paardenbak
5.35.
[eisers] stellen – zonder concrete onderbouwing – dat de paardenbak van [gedaagde 6+7] . gedeeltelijk is gelegen op het perceel van [eisers] en vorderen daarvan een bevestiging in de vorm van een verklaring voor recht. Subsidiair (de rechtbank begrijpt: voorwaardelijk), voor het geval de vordering tot het plaatsen van een erfafscheiding tussen de weg over het perceel van [eisers] en het perceel van [gedaagde 1+2] wordt afgewezen, vorderen zij verwijdering van de paardenbak voor zover die is gelegen op het perceel van [eisers] Zij voeren daartoe aan dat de overschrijding in beginsel voor hen geen probleem is, maar dat op die manier de berm aan de ene kant wordt verbreed zodat aan de andere kant de gewenste erfafscheiding (alsnog) zonder belemmering kan worden geplaatst.
5.36.
[gedaagde 6+7] . betwisten dat (een deel van) de paardenbak op het perceel van [eisers] staat. Als al sprake is van een gedeeltelijke plaatsing over de oorspronkelijke erfgrens, dan is [gedaagde 6] door verkrijgende verjaring eigenaar geworden van dat perceelsdeel, gelet op het sinds 2007 op die plek na afstemming door de rechtsvoorgangers van [eisers] en [gedaagde 6+7] . geplaatste hek als erfafscheiding. Die rechtsvoorgangers zijn in overeenstemming hiermee een grenscorrectie overeengekomen die in een kadastraal relaas van bevindingen is vastgelegd en feitelijk al die jaren is gehandhaafd. De paardenbak overschrijdt die grens niet. Het gaat bovendien om een te verwaarlozen deel van hooguit 40 centimeter als breedste deel en een totale oppervlakte van 0,8 m², op een totale grootte van de paardenbak van 750 m², aldus [gedaagde 6+7] .
5.37.
De rechtbank oordeelt dat [eisers] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat de eventuele overschrijding zo minimaal is als door [gedaagde 6+7] . betoogd. Er verder van uitgaande dat het bewuste deel mogelijk precies in het smalste stuk van de weg valt, kan toewijzing van de vordering er (slechts) toe leiden dat dat smalle stuk een fractie breder en in die zin beter berijdbaar wordt. Maar zelfs als het zou gaan om de door [eisers] genoemde 80 centimeter breedte, maakt dat het hiervoor gegeven oordeel over de door [eisers] gewenste erfafscheiding op (onder meer) dit stuk van de weg niet anders. Ook met iets meer ruimte, is de gewenste erfafscheiding nog steeds een ontoelaatbare belemmering van de erfdienstbaarheid, gelet op wat de rechtbank onder 5.14 e.v. heeft overwogen. Daarom hebben [eisers] geen belang bij hun (voorwaardelijke) vorderingen op dit onderdeel. Het doel van [eisers] bij de vordering tot gedeeltelijke verwijdering van de paardenbak is immers uitsluitend gelegen in de plaatsing van een erfafscheiding, wat de rechtbank hier als ontoelaatbaar belemmerend beoordeelt.
5.38.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het kadaster niet zonder meer bepalend is voor de eigendomsvaststelling. Kadastrale gegevens kunnen een uitgangspunt zijn, maar voor de eigendomsvaststelling gaat het om wat is afgesproken en vervolgens is geleverd, daargelaten verkrijging door verjaring. Dat komt niet altijd overeen met wat in het kadastrale register is geregistreerd. Aan beoordeling van de erfgrenzen (op basis van eigendomsverkrijging hetzij door levering, hetzij door verjaring) wordt gelet op het voorgaande niet toegekomen. Een vordering tot bepaling van de erfgrenzen [24] is niet ingesteld. Voor zover [eisers] nog een ander belang ziet bij beoordeling van hun vordering, is relevant wat hierna in reconventie over de vorderingen van [gedaagde 6+7] . wordt geoordeeld. Een ander belang is door [eisers] overigens niet concreet gemaakt.
[eisers] zijn procesrechtelijk nalatig zijn geweest
5.39.
[gedaagde 6+7] . hebben bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop [eisers] hen in de procedure hebben betrokken. Samengevat bestaat het bezwaar eruit dat [eisers] ten onrechte hun stellingen niet of nauwelijks hebben onderbouwd, de bekende verweren van [gedaagde 6+7] . niet in de dagvaarding hebben betrokken en geen onderscheid hebben gemaakt tussen [gedaagde 6] en [gedaagde 7] . [gedaagde 6+7] . vragen de rechtbank aan dit nalaten processuele consequenties te verbinden.
5.40.
Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. [25] In samenhang hiermee bepaalt artikel 111 lid 3 Rv Pro voor de inhoud van de dagvaarding dat (bekende) verweren moeten worden vermeld. Als deze verplichtingen niet wordt nageleefd, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.
5.41.
De rechtbank stelt vast dat [eisers] erkennen dat partijen voorafgaand aan de procedure over hun standpunten met betrekking tot de locatie van de paardenbak al herhaaldelijk contact hebben gehad, dat het geschilpunt over de afwatering al langer bestond en dat [eisers] en [gedaagde 6] lange tijd hebben gezocht naar een duurzame oplossing. Het argument van [eisers] dat [gedaagde 6+7] . pas na de dagvaarding op hun brief hebben gereageerd mist de essentie. Volgens de spreekaantekeningen namens [eisers] zijn de beschreven gebeurtenissen “
slechts een fractie van alles wat er gebeurd is”. In dit licht bezien zijn [eisers] met de zeer summiere onderbouwing van hun vorderingen jegens [gedaagde 6+7] . in de dagvaarding tekortgeschoten in hun procesrechtelijke verplichtingen ten aanzien van hun stellingen en beschrijving van de bekende verweren. In de dagvaarding volstaan [eisers] met de blote stelling dat de paardenbak gedeeltelijk op hun perceel staat, dat [gedaagde 6] water loost op de weg van [eisers] en dat in de gezamenlijke overlegmomenten geen oplossing is gevonden. Dat is in het licht van de hiervoor beschreven maatstaf onvoldoende.
De omstandigheid dat [eisers] hun vorderingen niet hebben toegespitst op [gedaagde 6] als eigenaar van het perceel waarop de paardenbak is gelegen en op [gedaagde 7] als opstalgerechtigde tot de paardenbak onderschrijft de gebrekkigheid, maar behoeft gezien het oordeel onder 5.31-5.38 en de beslissingen verder geen afzonderlijke bespreking.
5.42.
De rechtbank zal aan het voorgaande gevolgen verbinden. Omdat de vorderingen al op inhoudelijke gronden worden afgewezen, is daarin geen sanctie te vinden. De rechtbank verwijst daarom naar de beslissing over de proceskosten bij 5.44-5.46 van dit vonnis voor een passende gevolgtrekking.
Proceskosten
5.43.
[eisers] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten de proceskosten van de buren betalen. In aanmerking genomen dat de buren deels door afzonderlijke advocaten zijn bijgestaan, worden de proceskosten als volgt begroot.
[gedaagde 1+2]
- griffierecht € 320,00
- salaris advocaat € 1.306,00 [26]
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.815,00
[gedaagde 3+4] en [gedaagde 5]
- griffierecht € 320,00
- salaris advocaat € 1.306,00 [27]
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.815,00 (plus wettelijke rente bij niet tijdige betaling)
[gedaagde 6+7] . ontvangen een hogere, maar niet de reële, proceskostenvergoeding
5.44.
[gedaagde 6+7] . hebben in afwijking van een veroordeling op grond van het liquidatietarief een volledige proceskostenveroordeling gevorderd. Die vordering is gegrond op de stelling van [gedaagde 6+7] . dat de dagvaarding onvoldragen is, waardoor de procesrechtelijke volledigheids-, waarheids- en substantiëringsplicht is geschonden. [eisers] handelen onrechtmatig door [gedaagde 6+7] . te dagvaarden, wetende dat hun vorderingen geen kans van slagen hebben, aldus [gedaagde 6+7] . (zie ook 5.39-5.42).
5.45.
Een vordering tot vergoeding van volledige proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. [28] Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter.
5.46.
Aan deze maatstaf is niet voldaan. Van evidente ongegrondheid van de vorderingen van [eisers] jegens [gedaagde 6+7] . is geen sprake, ondanks de zeer summiere onderbouwing van de vorderingen. Het had wel op de procesrechtelijke weg van [eisers] gelegen om van de voorgeschiedenis waarin partijen over en weer standpunten hebben uitgewisseld, melding te maken, hun juridische visie daarop te geven en de (juridische) standpunten van [gedaagde 6+7] . daarbij te betrekken. Door dat niet te doen hebben [eisers] in de procedure onvolledige informatie verstrekt en is onduidelijk gebleven hoe breed en specifiek [gedaagde 6+7] . het verweer moesten inrichten. De rechtbank acht het aannemelijk dat [gedaagde 6+7] . daardoor extra tijd hebben moeten laten besteden aan hun verdediging. Daarbij past dat [eisers] een hogere proceskostenvergoeding moeten betalen voor nodeloos veroorzaakte hogere kosten. [29]
5.47.
De rechtbank verdisconteert dit door aan te sluiten bij liquidatietarief V in plaats van tarief II. Dit betekent dat de proceskosten worden begroot op:
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 4.102,00 [30]
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.979,00
in reconventie
Procedureel: de eiswijziging
5.48.
Op de mondelinge behandeling hebben [gedaagde 1+2] bij akte hun eis (tijdig) vermeerderd met een vordering tot verwijdering van een tweede camera. [eisers] hebben tegen die eisvermeerdering geen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal dan ook beslissen op de gewijzigde eis zoals vermeld bij 4.5.
De camera’s
[eisers] moeten de positie van de camera’s zodanig aanpassen dat zij de weg niet meer in beeld brengen
5.49.
Aan de orde is de vraag of [eisers] met het gebruik van hun diverse camera’s een onrechtmatige inbreuk maken op het recht op privacy van [gedaagde 1+2] , [gedaagde 3+4] en/of [gedaagde 5] .
5.50.
[gedaagde 1+2] en [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] stellen dat de eerste camera (productie 9 bij dagvaarding) is gericht op de weg en op de woon- en/of landbouwpercelen die hun eigendom zijn of worden gepacht. Zij menen dat [eisers] geen belang hebben bij het filmen daarvan. [gedaagde 1+2] stellen verder dat ook de daarnaast geplaatste bolcamera (productie 7 bij eiswijziging), ongeacht de huidige stand, onrechtmatig is omdat die camera alle kanten op kan richten, terwijl het in beeld brengen van hun perceel niet mag.
5.51.
[eisers] betwisten de onrechtmatigheid en hebben daartoe aangevoerd dat de percelen van [gedaagde 1+2] en [gedaagde 5] niet in beeld worden gebracht. Reeds daarom hebben [gedaagde 1+2] en [gedaagde 5] geen vorderingsrecht, zodat ook geen belangenafweging hoeft te worden gemaakt. De percelen van [gedaagde 3+4] en de gemeente (waarvan een deel wordt verpacht aan [gedaagde 1+2] ) zijn te ver weg om de camera te activeren. Hun woningen worden niet in beeld gebracht en op het landbouwperceel dat beperkt in beeld komt, wordt niet geleefd. Volgens [eisers] staat de camera stand-by en wordt die alleen geactiveerd door beweging dichtbij.
De bolcamera heeft een vaste lenspositie gericht op de oprijlaan van [eisers] De positie kan niet automatisch of op afstand worden aangepast. [eisers] hebben aangeboden om de cameraspecificaties waaruit dat zou blijken op zitting te tonen. Beelden worden bovendien slechts acht dagen bewaard. [eisers] beroepen zich voor zover nodig op het belang van bescherming van hun eigendommen en woon- en leefomgeving.
5.52.
Uitgangspunt is dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. [31] De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of sprake is van een rechtvaardigingsgrond, moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, waarbij de ernst van de inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend tegen elkaar worden afgewogen. [32]
Verder is van belang of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [33]
5.53.
In dit geval zijn er concrete aanwijzingen dat [gedaagde 1+2] , [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] bij gebruik van de weg in beeld worden gebracht. Uit de afbeeldingen bij 3.16 blijkt dat de camera’s niet alleen op de oprijlaan (van grind), maar ook op een deel van de weg zijn gericht waarvan deze buren frequent rechtmatig gebruikmaken. [eisers] maken daarmee een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer. Het argument van [eisers] dat de percelen van [gedaagde 1+2] en [gedaagde 5] niet in beeld worden gebracht, maakt dat niet anders. De vaste lenspositie evenmin, omdat juist die positie een deel van de weg in beeld brengt waarover [gedaagde 1+2] , [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] zich regelmatig rechtmatig verplaatsen. Dat zij de weg direct of indirect gebruiken op grond van erfdienstbaarheden en niet op grond van eigendom, is niet relevant. Verder speelt het feit dat de weg eigendom is van [eisers] een rol bij de te maken belangenafweging, maar is dit niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van een inbreuk. Er is geen rechtsregel die eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot binnen de eigendomsgrenzen en evenmin bestaat de regel dat het recht op privacy niet geldt als men zich – rechtmatig – op het perceel van een ander bevindt. Verder neemt de stelling van [eisers] dat de beelden slechts 8 dagen worden bewaard niet weg dat zij tot die tijd over de opnames kunnen beschikken, zodat de inbreuk op zich daarmee niet ongedaan wordt gemaakt.
5.54.
Bij de vraag of de onrechtmatigheid aan deze schending wordt weggenomen door een rechtvaardigingsgrond, komt het aan op een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank valt die in het voordeel uit van [gedaagde 1+2] , [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] . Op grond van hun (indirecte) rechten uit erfdienstbaarheid mogen zij onbeperkt en onbelemmerd komen en gaan over de weg, om hun woning en de [straat] te bereiken, of de buren te bezoeken. Omdat de woningen van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] alleen via de weg kunnen worden bereikt, gaat het niet om een incidenteel maar om een frequent gebruik. Dit levert een vaak voorkomende inbreuk op, telkens wanneer de oprijlaan van [eisers] via de weg wordt gepasseerd, terwijl [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] belang hebben bij het vrijelijk en onbespied over de weg kunnen gaan. Daar tegenover staat het belang van [eisers] om hun eigendom te beschermen en het belang om (de vrees voor) incidenten te verminderen. Dat is ook een zwaarwegend belang, maar aan dat belang wordt ook tegemoetgekomen als de camera’s op de ruime oprijlaan van [eisers] , maar niet ook op de weg, worden gericht.
5.55.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de gevorderde verwijdering van de camera disproportioneel is, maar dat [eisers] de instelling en/of positionering van de camera’s zodanig moeten aanpassen dat de weg en daarachter gelegen percelen niet meer in beeld worden gebracht.
De erfdienstbaarheden van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5]
Verklaring voor recht van erfdienstbaarheid van [gedaagde 3+4]
5.56.
De vorderingen zoals beschreven bij 4.7 onder 1 en 2 hangen samen met het verweer in conventie. Dat verweer slaagt. De rechtbank verwijst voor haar beoordeling en daaruit volgende beslissing naar 5.6-5.12 en beschouwt die overwegingen en beslissing hier als herhaald en ingelast. De onder 2 gevorderde verklaring voor recht is daarom toewijsbaar zoals gevorderd.
Bij 5.14 heeft de rechtbank verder uiteengezet wat [gedaagde 3+4] als eigenaren van heersende erven bij erfdienstbaarheden mogen en wat [eisers] als eigenaren van het dienend erf moeten dulden. Voor zover [gedaagde 3+4] (weer) een hek willen plaatsen op de locatie zoals aangegeven in de afbeelding bij 3.14 zijn zij daartoe als eigenaren van het heersende erf bij de erfdienstbaarheid in beginsel gerechtigd, ongeacht of dat hek er jarenlang heeft gestaan zoals [gedaagde 3+4] stellen en [eisers] betwisten. [eisers] kunnen als eigenaren van het dienend erf echter voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid een ander gedeelte van het erf aanwijzen waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend, mits dit zonder vermindering van genot van de eigenaren van het heersende erf mogelijk is. [34] Bij een verdere concretisering van de plaats van het hek bestaat geen belang. Dit betekent dat het onder 1 gevorderde gebod wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
[eisers] moeten ervoor zorgen dat [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] onbelemmerd gebruik kunnen maken van de weg
5.57.
De rechtbank beoordeelt deze vorderingen (bij 4.7 onder 3 en 4) aan de hand van de bij 5.14-5.18 beschreven maatstaf, die samengevat neerkomt op de vraag of er met genoemde elementen sprake is van een verboden belemmering van de erfdienstbaarheid. Dat kan van geval tot geval verschillen en laat zich slechts in hoofdkaders en niet op detailniveau omschrijven, zoals met het gevorderde gebod om specifieke vrije ruimte en rijcurves te respecteren. Dat er geen obstakels op de weg mogen worden geplaatst is evident en in de akte van 1992 nadrukkelijk bepaald [35] . Dat er geen auto’s op de toegangsweg geparkeerd mogen staan, is in het kader deze bepaling en verder van de verboden belemmering (zie 5.14 e.v.) niet zonder meer toewijsbaar omdat niet uit te sluiten valt dat op bredere delen van de uitweg wel zonder hinder c.q. belemmering (in de berm) geparkeerd kan worden als dat incidenteel verband houdt met het gebruik van de uitweg.
De keien in de bocht en het verkeersbord zijn zonder meer belemmerend, omdat zij de ruimte beperken om zonder risico op schade te manoeuvreren. Ten aanzien van de haag bij de voordeur van [eisers] is onvoldoende gebleken dat die de doorgang belemmert, te meer een haag – anders dan bijvoorbeeld keien – redelijk flexibel is.
5.58.
Het voorgaande leidt er toe dat de vorderingen 3 en 4 toewijsbaar zijn op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
Het perceel van [gedaagde 6+7] .
5.59.
[gedaagde 6+7] . stellen dat de feitelijke erfgrens (het hek ter plaatse van de paardenbak) door verkrijgende verjaring en/of door overeenkomst de juridische erfgrens is geworden. [gedaagde 6+7] . verwijzen daartoe naar verklaringen van de rechtsvoorgangers van [gedaagde 6] en [eisers] , waaruit volgt dat het hek sinds 2007 op de huidige plek staat en dat zij als toenmalige eigenaren de locatie van het hek als de erfgrens beschouwden. Sindsdien, en dus meer dan tien jaren, is het stukje grond onafgebroken en te goeder trouw in het bezit van eerst de rechtsvoorgangers van [gedaagde 6] en sinds 2014 voortdurend van [gedaagde 6] , geweest, aldus [gedaagde 6+7] .
Subsidiair beroepen zij zich op een afspraak met [eisers]
5.60.
[eisers] betwisten dat [gedaagde 6] door verkrijgende verjaring of door een afspraak eigenaar is geworden van het bewuste gedeelte van het perceel. Uit niets blijkt dat het hekwerk daadwerkelijk op de locatie is geplaatst waar het kadaster de grens had aangegeven. Betwist wordt ook dat [gedaagde 6] bij de bouw van de paardenbak volledig achter (de palen van) het hek is gebleven en dat tussen de rechtsvoorgangers van [gedaagde 6] en [eisers] de afspraak is gemaakt dat het hekwerk de erfgrens is. Als die afspraak er al zou zijn, dan is hiermee geen eigendom van grond overgegaan op de rechtsvoorganger van [gedaagde 6] , maar is hooguit sprake van een persoonlijke afspraak. Rechtsopvolgers zijn daaraan niet gebonden. De rechtsvoorganger van [gedaagde 6] heeft het perceelsgedeelte nooit in bezit gehad en kan dus geen eigenaar zijn geworden. Als er al sprake zou zijn van een moment van inbezitneming, dan was dat pas op het moment dat de paardenbak gereed was, in of na 2014, toen [gedaagde 6] op het perceel kwam wonen. In 2022 was voor [gedaagde 6] al duidelijk dat het bewuste deel van [eisers] was, gelet op de door Kadasterdata uitgezette piketpaaltjes en de correspondentie tussen [eisers] en [gedaagde 6] daarover. De verjaringstermijn van 10 jaren is dus niet verstreken, zodat [gedaagde 6] niet door bezit te goeder trouw eigenaar is geworden, aldus [eisers]
5.61.
Voor verkrijgende verjaring als hiervoor bedoeld, is een onafgebroken bezit te goeder trouw van tien jaar vereist. [36] De vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht voor zichzelf uitoefent, moet worden beantwoord naar de verkeersopvatting en op grond van uiterlijke feiten. [37] Er geldt dus een objectieve maatstaf. Het bezit moet "ondubbelzinnig" zijn. Ondubbelzinnig bezit is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niets anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, hetgeen naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld zodat de eigenaar tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Ten slotte wordt goede trouw vermoed aanwezig te zijn. [38] Het ontbreken ervan moet dus worden bewezen. Een beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw slaagt echter niet als dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de openbare registers zouden zijn gekend. [39]
5.62.
De rechtbank behandelt het beroep op verkrijgende verjaring en de afspraak tussen de rechtsvoorgangers tezamen en stelt voorop dat de enkele afspraak tussen eigenaren dat de erfgrens zich op een bepaalde locatie bevindt, onvoldoende is voor eigendomsovergang. Daarvoor is nodig levering krachtens een geldige titel, of – voor zover in dit geschil aan de orde – verkrijging door verjaring na een periode van tien jaren onafgebroken bezit te goeder trouw. Niet in geschil is dat levering gevolgd door inschrijving in het kadaster niet heeft plaatsgevonden, zodat de eigendom niet is overgegaan door overdracht.
5.63.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het voor verjaring vereiste bezit niet in rechte kan worden vastgesteld. De rechtbank motiveert dat als volgt.
De rechtsvoorgangers van [eisers] en [gedaagde 6+7] . hebben naar aanleiding van onzekerheid over de precieze loop van de erfgrens met elkaar afgesproken welke feitelijke grens zij als erfgrens beschouwden en daarnaar gehandeld. Gelet op deze afspraak kan uit de plaatsing van het hek niet worden afgeleid dat de rechtsvoorganger van [gedaagde 6] als bezitter is gaan optreden. De verklaringen over wat de afspraak inhield geven geen uitsluitsel over de eigendomspositie, over een eventuele intentie van eigendomsovergang en/of een eventuele beperking van de tijdsduur waarvoor de afspraak zou gelden. Al met al is er niet meer dan een afspraak tussen de rechtsvoorgangers van [gedaagde 6] , zonder betekenis voor de bezitsvraag.
Hieruit volgt dat om als bezitter te kunnen worden aangemerkt, [gedaagde 6] zelf een (bezits)daad moet hebben gepleegd waarmee verandering werd aangebracht in de stilzwijgend voortdurende situatie van feitelijk handelen overeenkomstig de afspraak. Daarvan was in elk geval geen sprake toen [gedaagde 6] in 2014 zijn perceel betrok. Ook het plaatsen van de paardenbak in 2017 kan niet als een bezitsdaad worden aangemerkt omdat de paardenbak volgens de eigen stellingen van [gedaagde 6] achter het hek op de plaats overeenkomstig de afspraak, werd geplaatst en dus geen verandering aanbracht in de situatie van de feitelijke grens. Daarmee liep (uitvoering van) de bestaande afspraak feitelijk door. Als het plaatsen van de paardenbak wel een bezitsdaad zou zijn, bijvoorbeeld door overschrijding van de afgesproken grens, dan geldt dat de verjaring pas in 2017 is gaan lopen en niet is voltooid. Dit betekent dat [gedaagde 6] niet door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van het perceelsgedeelte in geschil. De vraag of [gedaagde 6] te goeder trouw was, is daarom hier niet relevant.
5.64.
Het subsidiaire beroep van [gedaagde 6+7] . op met [eisers] op gemaakte afspraken over het in stand houden van de situatie zegt niets over de eigendomsverhoudingen en is op zichzelf onvoldoende voor eigendomsovergang.
5.65.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen i tot en met iii van [gedaagde 6+7] . (zie 4.9) worden afgewezen wegens gebrek aan grondslag.
Proceskosten
5.66.
[gedaagde 1+2] noch [eisers] kunnen jegens elkaar als de over en weer in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in de zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.
5.67.
[gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] zijn grotendeels in het gelijk gesteld. Daarom moeten [eisers] hun proceskosten betalen. Omdat de vorderingen ten aanzien waarvan zij grotendeels in het gelijk zijn gesteld voortvloeien uit het verweer in conventie, worden de helft van het aantal punten in de conventie gehanteerd. Gelet hierop worden de kosten begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 [40]
- nakosten
€ 107,00
Totaal € 760,00
5.68.
[gedaagde 6+7] . zijn volledig in het ongelijk gesteld. Daarom moeten zij de proceskosten van [eisers] betalen. Omdat het verweer in reconventie voortvloeit uit de stellingen in conventie, worden halve punten gehanteerd. Gelet hierop worden de kosten begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 [41]
- nakosten
€ 107,00
Totaal € 760,00
in conventie en in reconventie
Geen dwangsommen
De rechtbank ziet niet in waarom partijen zich niet als goede buren aan de veroordelingen zouden kunnen houden en ziet daarom onvoldoende aanleiding om daaraan een dwangsom te verbinden. Daarbij speelt ook een rol dat het opleggen van dwangsommen een goede burenrelatie in het algemeen niet bevordert, zeker als er executiegeschillen (dreigen te) ontstaan over al dan niet verbeurde dwangsommen. Dit terwijl partijen, ondanks het ontstaan van de onderhavige discussie en procedure, wel degelijk een goede burenrelatie belangrijk vinden en nastreven, zo is op de zitting gebleken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.69.
Alle veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen ook uitvoerbaar als hoger beroep wordt ingesteld. De daartoe strekkende vorderingen zijn op de wet gegrond en niet bestreden. Andere beslissingen, waaronder de verklaring voor recht, zijn naar hun aard niet uitvoerbaar en daarom niet vatbaar voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
in het (voorwaardelijke) incident
5.70.
De incidentele vordering behoeft geen behandeling omdat de voorwaarde (het niet direct bij vonnis na de mondelinge behandeling afwijzen van de vorderingen van [eisers] tegen [gedaagde 6+7] .) waaronder zij is ingesteld, niet is vervuld.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
Jegens [gedaagde 1+2]
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 1+2] van € 1.815,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
Jegens [gedaagde 3+4]
6.3.
verklaart voor recht dat [gedaagde 3+4] – in de huidige situatie van rechten ten aanzien van de weg – jaarlijks voor een derde deel moeten bijdragen aan de noodzakelijke kosten van onderhoud van de weg, met inachtneming van 5.30 van dit vonnis,
Jegens [gedaagde 5]
6.4.
verklaart voor recht dat [gedaagde 5] – in de huidige situatie van rechten ten aanzien van de weg – jaarlijks voor een derde deel moet bijdragen aan de noodzakelijke kosten van onderhoud van de weg, met inachtneming van 5.30 van dit vonnis,
Jegens [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5]
6.5.
wijst de overige vorderingen af,
6.6.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] van € 1.815,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente en met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
Jegen [gedaagde 6+7]
6.7.
wijst de vorderingen af,
6.8.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 6+7] . van € 4.979,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
Op vordering van [gedaagde 1+2] , [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5]
6.9.
beveelt [eisers] om binnen zeven dagen na dit vonnis de camera’s zo af te stellen dat de weg en achtergelegen percelen niet in beeld worden gebracht,
6.10.
compenseert de proceskosten van [eisers] en [gedaagde 1+2] in de zin dat deze partijen de eigen kosten dragen,
Op vordering van [gedaagde 3+4]
6.11.
verklaart voor recht dat door verjaring een erfdienstbaarheid van uitweg voor particuliere doeleinden is ontstaan ten nutte van [huisnummer 3] , kadastraal bekend als gemeente [perceelnummer 11] en ten laste van de over het kadastrale perceel gemeente [perceelnummer 12] lopende weg om te komen en te gaan van en naar de [straat] ,
6.12.
verklaart voor recht dat door vestiging op 1 mei 1992 (leveringsakte [leveringsaktenummer]) een erfdienstbaarheid van uitweg voor agrarische doeleinden is ontstaan ten nutte van het (agrarisch) perceel [perceelnummer 6] en ten laste van de over het kadastrale perceel gemeente [perceelnummer 12] lopende weg om te komen en te gaan van en naar de [straat] ,
6.13.
gebiedt [eisers] hoofdelijk om toe te staan dat de erfdienstbaarheid van weg die op 1 mei 1992 is gevestigd ten nutte van het perceel kadastraal bekend als gemeente [perceelnummer 6] en ten laste van het perceel [perceelnummer 12] onbelemmerd en ongehinderd wordt uitgeoefend op de bij 5.56 aangegeven wijze,
Op vordering van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5]
6.14.
gebiedt [eisers] hoofdelijk om de erfdienstbaarheid van uitweg voor het particuliere gebruik ten nutte van het perceel kadastraal bekend als gemeente [perceelnummer 11] ( [huisnummer 3] ) alsmede het bedrijfsmatig agrarisch gebruik ten nutte van de percelen kadastraal bekend als gemeente [perceelnummer 9] , [perceelnummer 4] ( [huisnummer 4] en percelen van [gedaagde 5] ) en [perceelnummer 6] (percelen [gedaagde 3+4] ) onbelemmerd en ongehinderd te laten gebruiken, door geen obstakels op de toegangsweg te plaatsen, auto’s niet anders dan op de bij 5.57 aangegeven wijze te parkeren en door niet op andere wijze de behoorlijke uitoefening van de erfdienstbaarheden te belemmeren,
6.15.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis de keien in de bocht en het verkeersbord bij de [straat] (zie 3.17) te verwijderen,
6.16.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] van € 760,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet tijdig wordt betaald en met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
Op vordering van [gedaagde 6+7] .
6.17.
wijst de vorderingen af,
6.18.
veroordeelt [gedaagde 6+7] . hoofdelijk in de proceskosten van € 760,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 6+7] . niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
6.19.
verklaart alle veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.20.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
3268/1694

Voetnoten

1.Perceel III bestaat uit de kadastrale percelen met nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer]
2.hernummerd naar het huidige nummer [perceelnummer 9]
3.Perceel V bestaat uit de kadastrale percelen met nummers [nummer] t/m [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer]
4.Perceel VI bestaat uit de kadastrale percelen met nummers [nummer] , [nummer] en [nummer]
5.Perceel IV bestaat uit de kadastrale percelen met nummers [nummer] t/m [perceelnummer 8]
6.Perceel VII bestaat uit de kadastrale percelen met nummers [nummer] , [nummer] en een gedeelte van [nummer]
7.Perceel III bestaat uit de kadastrale percelen met nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer]
8.Perceel [perceelnummer 10]
9.artikel 130 lid 1 Rv Pro
10.artikel 3: 81 lid 2 onder e BW
11.artikel 5:72, 3:105 en 3:306 BW
12.artikel 3:101 BW Pro
13.artikel 3:306 BW Pro en 3:314 lid 2 en 5:72 BW
14.als bedoeld in artikel 5:57 BW Pro
15.artikel 5:75 lid 1 en Pro 5:74 BW
16.artikel 5:75 lid 2 BW Pro
17.artikel 5:75 lid 5 BW Pro
19.artikel 5:73 lid 1 BW Pro
20.artikel 5:48 BW Pro
21.als bedoeld in artikel 5:39 BW Pro
22.artikel 5:38 BW Pro
23.artikel 5:39 BW Pro
24.als bedoeld in artikel 5:47 BW Pro
25.artikel 21 Rv Pro
26.2 punten × tarief II van € 653,00
27.2 punten × tarief II van € 653,00
29.artikel 237 lid 1 Rv Pro
30.2 punten × tarief V van € 2.051,00
31.ECLI:NL:1987:AG5500
34.artikel 5:73 lid 2 BW Pro
35.“Het is zowel aan de eigenaar van het heersend erf, als aan die van het dienstbaar erf en aan alle andere personen, die van de uitweg gebruik maken, verboden om vervoermiddelen van welke aard ook of andere zaken of goederen op de uitweg te plaatsen anders dan voor het directe gebruik van de uitweg als zodanig vereist zal zijn, zodat dit gebruik ongehinderd en onverminderd zal kunnen plaatshebben.”
36.artikel 3:99 lid 1 BW Pro
37.artikel 3:107 en Pro 3:108 BW
38.artikel 3:118 BW Pro
39.artikel 3:25 BW Pro
40.0,5 × 2 punten × tarief II van € 653,00
41.0,5 × 2 punten × tarief II van € 653,00