Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 16 augustus 2024, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de akte wijziging van eis van 19 februari 2025, met bijlagen;
- de akte wijziging van eis van 18 februari 2026, met bijlagen;
- de brief van [gedaagde] van 20 februari 2026, met bijlagen.
2.De beoordeling
Een gebrek is een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft.’ In artikel 7:206 lid 1 BW Pro is bepaald dat de verhuurder op verlangen van de huurder verplicht is gebreken te verhelpen. Of en wanneer de aanwezigheid van gebreken reden is voor een verlaging van de huur staat in artikel 7:207 lid 1 BW Pro: ‘
De huurder kan in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen.’
Elk in verband met de totstandkoming van een huurovereenkomst betreffende woonruimte gemaakt beding, niet de huurprijs betreffende, voorzover daarbij ten behoeve van een der partijen een niet redelijk voordeel wordt overeengekomen, is nietig.’ Hierover heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 16 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1157) overwogen dat ‘
indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat, een niet redelijk voordeel aanwezig is, tenzij uit bijzondere omstandigheden anders volgt.’ Volgens [gedaagde] is een wezenlijke tegenprestatie geleverd, namelijk dat [eiser] de woning heeft gevonden via haar website en dat een huurovereenkomst is opgesteld. Niet valt echter in te zien dat en waarom deze handelingen voor een onderneming die zich bedrijfsmatig bezighoudt met de verhuur van woningen zodanig bijzonder zijn dat daarvoor extra kosten mogen worden gerekend. Geoordeeld wordt dan ook dat sprake is van een niet redelijk voordeel als bedoeld in aangehaald artikel en dat voor de betaling daarvan dus geen grond aanwezig was. [gedaagde] moet daarom € 302,50 terugbetalen. De vordering wordt toegewezen, met de wettelijke rente zoals gevorderd.
Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs voor woonruimte betreft is het onder 5.1 gestelde niet van toepassing. In dat geval wordt de huurprijs voor het eerst per 01-07-2023 en
Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs betreft: