ECLI:NL:RBROT:2026:355

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
25/1871
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag WW-uitkering wegens gebrek aan gezagsverhouding in zorgverlening aan familielid

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 20 januari 2026, wordt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een WW-uitkering ongegrond verklaard. Eiseres verleende zorg aan haar moeder op basis van een persoonsgebonden budget (pgb) en stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst. Het UWV had echter geoordeeld dat er geen gezagsverhouding bestond, wat essentieel is voor de kwalificatie als werknemer onder de Werkloosheidswet (WW). De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het bestaan van een gezagsverhouding. De rechtbank legt uit dat de enkele stelling van eiseres dat er een gezagsverhouding was, niet voldoende is. Eiseres had zorg verleend op basis van een zorgovereenkomst, maar de rechtbank concludeert dat de afspraken in deze overeenkomst niet de kenmerken van een arbeidsovereenkomst vertonen. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij onder gezag van haar moeder werkte, en de rechtbank wijst op het ontbreken van concrete afspraken over werktijden, vakantiedagen en ziekmeldingen. De rechtbank concludeert dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst, en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen recht op een WW-uitkering en ontvangt geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1871

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Schiedam, eiseres

(gemachtigde: mr. I. Winia),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: mr. C. Nobel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiseres heeft zorg verleend aan haar moeder op basis van een persoonsgebonden budget (pgb). Het UWV stelt dat geen sprake is van een gezagsverhouding en eiseres daarom niet kwalificeert als werknemer. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt met stukken dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De enkele stelling dat sprake is van een gezagsverhouding is niet voldoende. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 24 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft vanaf 2018 zorg verleend aan haar moeder op basis van een zorgovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit betreft een standaarddocument van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) voor het verlenen van zorg door een partner of familielid. In de zorgovereenkomst is afgesproken dat eiseres zorg biedt onder de Wet langdurige zorg (Wlz). De zorg omvat verpleging, huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en begeleiding individueel. Eiseres werkt een vast aantal uur (in augustus 2024 35,54 per week). Het bruto maandsalaris is in augustus 2024 € 3538,22 (inclusief 8% vakantiegeld). Het salaris wordt door de Svb betaald uit het persoonsgebonden budget (pgb) van haar moeder.
3.1.
Na het overlijden van haar moeder op 21 augustus 2024 heeft eiseres een uitkering op grond van de WW aangevraagd. Met het besluit van 24 september 2024 heeft het UWV de WW-uitkering geweigerd, omdat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar moeder als werkgever. Ook stelt het UWV dat eiseres geen SV-loon ontving.
3.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Eiseres stelt dat wel sprake was van een gezagsverhouding onder meer omdat haar moeder en broer, als gewaarborgde hulp, instructies gaven en het dagritme bepaalden. Daarnaast is het krijgen van een SV-loon volgens eiseres geen vereiste voor de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst. Ook wijst eiseres op het feit dat zij volledig afhankelijk was van het inkomen dat zij bij haar moeder kreeg en dat dit gat – ook na het vinden van een parttime-betrekking – nog niet is opgevuld.
3.3.
Het UWV is met het bestreden besluit bij de afwijzing gebleven. Het UWV handhaaft het standpunt dat geen sprake was van een gezagsverhouding zodat geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Het UWV verwijst daarbij onder meer naar het feit dat eiseres de zorg ook voor het aangaan van de zorgovereenkomst heeft verleend en feitelijk 24-uurs zorg leverde hetgeen verder gaat dan op grond van de zorgovereenkomst verwacht mocht worden. Ook stelt het UWV dat de zorg niet werd geregistreerd en geen verantwoording over de verleende zorg werd afgelegd. Eiseres heeft beroep ingesteld.
Toetsingskader
4. Een werknemer die werkloos is, heeft onder voorwaarden recht op een uitkering. [1] Een werknemer is volgens de Werkloosheidswet (WW) iemand jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd met een arbeidsovereenkomst. [2] Om te kunnen spreken van een arbeidsovereenkomst moet sprake zijn van arbeid, loon en een gezagsverhouding tussen de werknemer en de werkgever. [3]
4.1.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is er sprake van een arbeidsovereenkomst?
5. In geschil is of eiseres moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW en of zij aanspraak kan maken op een WW-uitkering. Dat is het geval als sprake is van arbeid, loon en een gezagsverhouding tussen de werknemer en de werkgever. Ter zitting heeft het UWV erkend dat de soort overeenkomst niet bepalend is voor de vraag of sprake is van een dienstverband. Een arbeidsovereenkomst kan dus ook bestaan als een zorgovereenkomst is aangegaan zelfs als daarin expliciet wordt vermeld dat het geen arbeidsovereenkomst betreft. [4] Het UWV heeft ter zitting verder erkend dat het al dan niet betalen van premies voor werknemersverzekeringen ook geen rol speelt bij de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Omdat tussen partijen niet ter discussie dat sprake is van arbeid en loon, is het uitsluitend de vraag of sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen eiseres (als werknemer) en haar moeder (als werkgever).
5.1.
Eiseres stelt dat sprake is van een gezagsverhouding. Zij verwijst daarbij naar de eerdere toelichting in bezwaar over de instructies die zij ontving van haar moeder en haar broer als gewaarborgde hulp. Daarbij stelt eiseres dat het voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst volgens vaste rechtspraak niet nodig is om gebruik te maken van de bevoegdheid om instructies te geven. Verder geeft eiseres aan dat zij werd gecontroleerd door haar broer. Eiseres stelt dat het UWV ten onrechte en zonder onderbouwing voorbij is gegaan aan deze omstandigheden.
5.2.
Het UWV stelt dat de gezagsverhouding ontbreekt. In aanvulling op het bestreden besluit geeft het UWV aan dat uit de beschikbare informatie niet volgt dat eiseres bij de start van de zorgovereenkomst in 2018 de relatie met haar moeder heeft willen wijzigen anders dan dat eiseres betaald heeft gekregen voor de zorg die zij daarvoor ook al verleende. Daaruit volgt volgens het UWV dat eiseres en haar moeder geen gezagsverhouding zijn overeengekomen. Het UWV herhaalt zijn standpunt dat de 24-uurs beschikbaarheid van eiseres maakt dat eiseres de zorgtaken verrichtte onder omstandigheden die niet vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waaronder een professionele zorgverlener werkzaamheden verricht, zodat ook daarom geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Tot slot stelt het UWV dat eiseres geen nadere stukken heeft ingebracht om de gezagsverhouding aan te tonen.
5.3.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat op eiseres, als aanvrager van de WW-uitkering, de bewijslast rust van het bestaan van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst. [5] In dit geval betekent dit dat eiseres aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk moet maken dat sprake is van een gezagsverhouding. Het gaat daarbij niet alleen om de rechten en verplichtingen uit de overeenkomst of wat de partijen bij die overeenkomst voor ogen stond maar ook hoe uitvoering is gegeven aan de rechtsverhouding. Voor de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in onderling verband worden bezien. [6]
5.4.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een gezagsverhouding tussen haar en haar moeder. Hierdoor is geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Het dossier bevat naast de toelichting door eiseres alleen een zorgovereenkomst tussen eiseres en haar moeder. Daarin zijn de rechten en verplichtingen van eiseres en haar moeder slechts beperkt vastgelegd. Er zijn geen concrete afspraken gemaakt over een aantal essentiële onderwerpen die een arbeidsverhouding kenmerken. Het gaat daarbij onder meer om werktijden, vakantiedagen, de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof. Ter zitting heeft eiseres wel verklaard op welke momenten zij de werkzaamheden heeft verricht en dat haar zorgtaken tijdens vakantie of bij ziekte werden overgenomen door haar broer of zussen, maar hiervan zijn geen nadere stukken overlegd. Dat geldt ook voor de invulling van en controle op de werkzaamheden door eiseres. Eiseres heeft aangegeven dat het zorgkantoor jaarlijks langskwam voor controles maar ook hiervan zijn geen stukken overlegd. Ook ontbreekt concrete informatie over de feitelijke invulling van de werkzaamheden, met name over de vraag in hoeverre eiseres werkzaamheden verrichtte volgens de aanwijzingen en instructies van haar moeder. Eiseres stelt weliswaar dat haar moeder bepaalde wat het dagritme was en dat bepaalde zaken moesten gebeuren, maar dat heeft zij verder niet onderbouwd. [7] Hoewel het standpunt van eiseres dat het niet noodzakelijk is om gebruik te maken van de instructiebevoegdheid op zichzelf juist is [8] , heeft het UWV voldoende uiteengezet – zoals ook uit voorgaande blijkt – dat andere elementen om een gezagsverhouding aan te nemen, ontbreken of in ieder geval niet met nadere stukken zijn onderbouwd. Bij gebrek aan objectief en controleerbaar bewijs kan de rechtbank eiseres niet volgen in het standpunt dat sprake is van een gezagsverhouding. Anders dan eiseres stelt, kan het UWV in die situatie volstaan met het vaststellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ter zitting heeft het UWV desgevraagd verklaard dat soms gebruik wordt gemaakt van vragenlijsten naar de invulling van de arbeidsverhouding, maar dat dit uitsluitend wordt gedaan indien op basis van de stukken in het dossier twijfel bestaat. Dat was hier niet zo.
5.5.
Het standpunt van eiseres dat zij volledig afhankelijk was van het loon dat zij ontving voor de zorg voor haar moeder en dat daarom sprake is van een gezagsverhouding tussen eiseres en moeder, volgt de rechtbank niet. Anders dan in de aangehaalde rechtspraak [9] , is ter zitting immers gebleken dat eiseres naast de zorgtaken voor haar moeder tevens 24 uur per week werkzaam was als taxichauffeur. Eiseres was voor haar inkomsten dus niet volledig afhankelijk van het inkomen van de zorgverlening. Dat zij het laatste levensjaar van haar moeder de zorgtaken voor haar moeder niet meer kon combineren met haar baan als taxichauffeur, maakt voorgaande niet anders. Weliswaar is aangegeven dat de zorgindicatie van de moeder van eiseres per 15 april 2024 omhoog is gegaan, maar nadere stukken waaruit volgt hoeveel uur eiseres daarna tegen betaling heeft gewerkt ontbreken. Bovendien heeft eiseres zelf besloten dat zij 24 uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar wilde zijn voor haar moeder en dat niet meer te combineren viel met haar baan als taxichauffeur. Hoewel de rechtbank dat begrijpt, leidt dit zonder nadere onderbouwing niet tot de conclusie dat eiseres van de inkomsten dusdanig afhankelijk was dat sprake is van een gezagsverhouding. Overigens volgt de rechtbank het standpunt van het UWV niet dat die 24-uurs beschikbaarheid maakt dat geen sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst. Hoewel een dergelijke inzet niet verwacht mag worden van een professionele zorgverlener, is het goed te begrijpen dat eiseres naast haar betaalde zorgtaken, ook anderszins zorg bood aan haar moeder. Dat deed zij ook al toen zij nog 40 uur per week werkte als filiaalmanager bij de Kruidvat. Door in algemene zin te stellen dat die 24-uurs beschikbaarheid ertoe leidt dat geen sprake kan zijn van een arbeidsverhouding tenzij de overuren worden betaald, is het feitelijk onmogelijk om op grond van een arbeidsovereenkomst zorgtaken te verrichten voor familieleden. Dit volgt ook niet expliciet uit de door het UWV aangehaalde uitspraak. [10] Het staat vast dat familieleden een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst met elkaar kunnen aangaan. Dat kan ook het geval zijn als het zorgverlening betreft betaald uit een pgb. [11] Het gaat naar het oordeel van de rechtbank te ver van deze familieleden te verwachten dat zij, om in aanmerking te blijven komen voor werknemersverzekeringen, naast de betaalde uren, verder niet meer kunnen zorgen voor hun familieleden. De omstandigheid dat iemand 24 uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar is voor zorg, kan overigens wel worden meegenomen in de totale afweging of sprake is van een gezagsverhouding. [12] Voorgaande helpt eiseres echter niet. Deze omstandigheid ontslaat eiseres namelijk niet van de bewijslast aan te tonen dat zij de betaalde zorgtaken uitoefende in een arbeidsverhouding. Aan die bewijslast heeft eiseres, zo volgt uit overweging 5.4, niet voldaan.
5.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en geen recht heeft op een WW-uitkering. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Werkloosheidswet
Artikel 3
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
(…)
Artikel 15
Met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen heeft de werknemer die werkloos is recht op uitkering.
Burgerlijk Wetboek
Artikel 7:610
De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
Indien een overeenkomst zowel aan de omschrijving van lid 1 voldoet als aan die van een andere door de wet geregelde bijzondere soort van overeenkomst, zijn de bepalingen van deze titel en de voor de andere soort van overeenkomst gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 15, eerste lid, van de WW.
2.Dit volgt uit artikel 3, eerste lid, van de WW.
3.Dit volgt uit artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
4.Dit sluit aan bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 30 april 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:676) en in het verlengde daarvan ook de uitspraken van de Hoge Raad (HR) van 25 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP3887) en 17 februari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU8926).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 november 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2182), onder 4.4 en de uitspraak van de Raad van 23 januari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:156).
6.Zie de uitspraak van de Raad van 30 april 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:676), onder 4.3.
7.Zie de uitspraak van de Raad van 15 december 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2701), onder 4.4.
8.Dit volgt ook uit de uitspraak van de HR van 7 februari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AA9845).
9.Zie de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AN7534).
10.Zie de uitspraak van de Raad van 15 december 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2701).
11.Zie de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3634).
12.Zie de uitspraak van de Raad van 6 november 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2182).