Eiseres, een alleenstaande moeder die na echtscheiding in de voormalige echtelijke woning bleef wonen, vroeg bijstand aan. Het college wees de aanvraag af op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-partner, mede omdat zij samen een kind hebben en in dezelfde woning verblijven.
Eiseres voerde aan dat zij niet meer samenwoonde met haar ex-partner en dat het individualiseringsbeginsel toegepast moest worden. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs leverde dat zij niet in dezelfde woning verbleef als haar ex-partner en dat zij ook niet aannemelijk maakte dat zij zelfstandig in haar levensonderhoud voorzag.
De rechtbank concludeerde dat het college terecht het rechtsvermoeden toepaste en de bijstandaanvraag afwees. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij eiseres geen proceskostenvergoeding kreeg. De uitspraak benadrukt het belang van bewijslevering door de aanvrager bij het doorbreken van het rechtsvermoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard vanwege het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7224
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Süzen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. S. el Kaddouri).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Volgens eiseres had zij geen gezamenlijke huishouding met haar toenmalige echtgenoot en had het college het individualiserings-beginsel moeten toepassen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag voor een bijstandsuitkering terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Met een besluit van 18 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres voor een bijstandsuitkering van 20 februari 2025 afgewezen.
2.2.
Met een besluit van 7 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroepschrift gereageerd met een beroepschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: mr. G. Arslan, als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en haar collega mr. I. Plaisier.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Eiseres is in Turkije gehuwd in 2014. Uit dit huwelijk is een kind geboren (thans 10 jaar oud). Het huwelijk is in 2021 in Turkije ontbonden en de echtscheiding is op 7 december 2021 in Nederland geregistreerd. Na de scheiding is eiseres noodgedwongen samen met haar kind in de (voormalige) echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] blijven wonen.
Op 20 februari 2025 heeft eiseres een aanvraag bijstand voor levensonderhoud ingediend. Uit de aanvraag blijkt dat eiseres bijstand aanvraagt vanwege een echtscheiding. Zij geeft aan dat ze dakloos is.
Een eerdere aanvraag is met een besluit van 24 januari 2025 afgewezen op grond van een onweerlegbaar rechtsvermoeden, omdat eiseres in dezelfde woning woont als haar ex-partner en zij samen een kind hebben.
Op 17 maart 2025 is telefonisch contact met eiseres opgenomen. Tijdens dit gesprek heeft eiseres aangegeven dat zij in de woning van de ex-partner verblijft samen met haar kind. Eiseres verklaart ook dat zij geld van vrienden ontvangt en een deel daarvan als kostgeld aan haar ex-partner geeft. Als zij extra geld nodig heeft, ontvangt ze dit van hem.
Op grond van deze verklaring heeft het college geconcludeerd dat nog steeds sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat de situatie ten opzichte van de vorige aanvraag niet is gewijzigd. Vervolgens heeft het college het primaire besluit genomen, omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding en financiële verstrengeling waardoor geen recht op bijstand bestaat.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit, onder wijziging van de motivering, gehandhaafd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding.
Periode in geding
4. De door de rechtbank te beoordelen periode loopt van 20 februari 2025, de datum van de aanvraag, tot en met 18 maart 2025, de datum van het afwijzingsbesluit.
Het standpunt van eiseres
5. Volgens eiseres woont de ex-partner sinds eind 2024 elders. Eiseres betoogt dat daarom geen sprake meer is van samenwoning of van enige vorm van een gezamenlijke huishouding. Eiseres en haar ex-partner wonen immers niet (meer) in dezelfde woning. Eiseres betaalt de huur van de woning aan haar ex-partner en wordt dus niet financieel ondersteund door hem. Indien wordt aangenomen dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-partner doet eiseres een beroep op artikel 18, eerste lid, van de Pw, de zogenoemde individualiseringsbepaling. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen voor haar heeft.
Eiseres heeft in hoge mate belang bij toekenning van een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht. Zij is een alleenstaande moeder met de volledige zorg voor haar minderjarige kind. De ex-partner heeft slechts beperkt contact met het kind en draagt niet bij in de kosten van verzorging en opvoeding, nu hij geen kinderalimentatie betaalt.
Eiseres kampt met aanzienlijke schulden en zij is niet in staat te voorzien in haar eigen levensonderhoud, noch in de kosten voor de verzorging en opvoeding van haar kind.
De wet- en regelgeving
6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
7. Uit vaste rechtspraak van de Raad [1] volgt dat iemand die bijstand aanvraagt aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren.
8. Om vast te stellen of sprake is van hoofdverblijf in dezelfde woning heeft het college met een brief van 3 juli 2025 eiseres om de volgende informatie gevraagd:
- Waar woont de partner en is hier bewijs van te leveren sinds wanneer hij is vertrokken en waar hij dan verblijft, waardoor geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
- Wie betaalt de lasten van de woning aan de [adres] te [plaats] . Graag bewijs hiervan.
- Kan aangetoond worden dat zij huur aan haar ex-partner heeft betaald en wanneer dat was en van welk inkomen (u geeft dat aan in uw motivering).
- Wie zijn de medebewoners? Dit zijn 1 volwassene (mogelijk een familielid en 2 minderjarigen). Wij willen graag een schriftelijke verklaring over de bewoning van de woning en als het mogelijk is bewijs dat bezwaarmaakster hier alleen
zou wonen met haar kind. Bezwaarmaakster heeft verklaard dat zij alleen in de
woning woont, maar is dat juist?
- Als de inschrijving van de 3 medebewoners onjuist is, zal bij Burgerzaken een
onderzoek moeten worden gevraagd naar hun inschrijving.
- Uit de bij de aanvraag van 17 april 2025 ingeleverde bankafschriften blijkt dat
op 22 februari 2025 € 100,00 is gestort. Wat is de herkomst van dit geld, graag
bewijs.
- Uit de afschriften blijkt niet dat geld voor boodschappen is uitgegeven in deze
periode op een bestelling bij thuisbezorgd op 17 maart 2025 na. Graag een
schriftelijke verklaring hoe zij van 20 februari 2025 tot en met 18 maart 2025
heeft geleefd. Waar is het eten op 17 maart 2025 bezorgd?
9. Eiseres heeft op deze brief niet geantwoord en geen bewijsstukken ingediend.
10. Omdat eiseres en haar ex-partner samen een kind hebben, wordt een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht als eiseres en haar ex-partner in de te beoordelen periode hetzelfde hoofdverblijf hadden. Er is dan sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Dit volgt uit artikel 3, vierde lid, onder b, van de Pw en artikel 4, eerste lid, onder a, van de Pw.
Volgens vaste rechtspraak is het hoofdverblijf van een betrokkene daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. [2]
11. Gelet op de verklaring van eiseres bij haar aanvraag en het ontbreken van de met de brief van 3 juli 2025 gevraagde informatie over de woon- en leefsituatie is het college terecht tot de conclusie gekomen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de te beoordelen periode niet in dezelfde woning als haar ex-partner aan het adres [adres] te [plaats] haar hoofdverblijf had.
De enkele verklaring van eiseres dat de ex-partner elders woont, acht de rechtbank niet voldoende, nu eiseres geen duidelijkheid heeft verschaft waar hij dan wel verbleef en zij hiertoe geen stukken ter onderbouwing van haar stelling op dit punt heeft ingediend.
Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij kostgeld aan hem betaalt en dat als zij extra geld nodig heeft, zij dat van hem ontvangt. Dit blijkt ook uit de bankafschriften, zoals door het college ter zitting is toegelicht. Daarnaast heeft eiseres niet aangetoond dat zij huur/kostgeld aan de ex-partner betaalt of heeft betaald. Eiseres had verder geen inkomen en uit haar bankafschriften blijkt niet dat geld naar de bankrekening van de ex-partner is overgemaakt.
Ook is niet duidelijk waar eiseres van heeft geleefd in de te beoordelen periode. Uit de bankafschriften blijkt niet dat boodschappen zijn betaald door eiseres. Wel is op 17 maart 2025 eten besteld via Thuisbezorgd, maar niet is bekend op welk adres de bestelling van Thuisbezorgd is afgeleverd.
12. Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op het individualiseringsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 18, eerste lid, van de Pw, kan dat betoog niet slagen.
In dat artikellid is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Uit de wetsgeschiedenis van de voorlopers van de Pw volgt dat het individualiseringsbeginsel de mogelijkheid biedt om – in schrijnende situaties bij het ontbreken van voldoende bestaansmiddelen – af te wijken van het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat gezinsbijstand moet worden verleend en dat toch bijstand kan worden verleend zonder toets op de middelen van een partner.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niets aangevoerd dat maakt dat aan haar, in afwijking van het onweerlegbaar rechtsvermoeden, als zelfstandig subject bijstand moet worden verleend. [3]
Zij heeft haar stelling dat zij als alleenstaande moeder voorziet in haar levensonderhoud en het levensonderhoud van haar kind en dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding ondanks het rechtsvermoeden, niet onderbouwd door middel van stukken zoals verzocht voorafgaand en na afloop van de hoorzitting in bezwaar.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college naar aanleiding van alle feiten en omstandigheden terecht aannemelijk geacht dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden waardoor het verzoek om bijstand kon worden afgewezen.
13. Het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De toepassing van de gehuwdennorm vloeit dwingend voort uit een wet in formele zin. [4] Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staan dan artikel 11 vanPro de Wet algemene bepalingen en het toetsingsverbod van artikel 120 vanPro de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. [5] De door eiseres gestelde omstandigheden kunnen dan ook niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit onevenredig is.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4, tweede lid
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Participatiewet
Artikel 3, derde lid
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.
Artikel 16, eerste lid
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 18, eerste lid
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.