ECLI:NL:CRVB:2024:2319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande na het beëindigen van zijn relatie met X, met wie hij een kind heeft. Het dagelijks bestuur weigerde de bijstand omdat niet kon worden vastgesteld dat X haar hoofdverblijf had verplaatst naar een ander adres.
Uit onderzoek, waaronder Facebook-berichten van X en een verklaring van appellant, bleek dat X en het kind gedurende een periode van twee maanden na de aanvraag ononderbroken bij appellant verbleven. De enkele inschrijving van X op een ander adres was onvoldoende bewijs voor een ander hoofdverblijf. Appellant kon ook niet voldoen aan het verzoek om bankafschriften van X te overleggen die haar verblijf elders zouden bevestigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant de bewijslast droeg en deze niet heeft kunnen voldoen, waardoor de afwijzing van de bijstand en terugvordering van het voorschot terecht waren. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij alleenstaand woonde.