Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5261

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/3824
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Huisvestingswet 2014Art. 3.1.1 Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2021Art. 4.4 Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2021Art. 5:1 AwbArt. 5:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete wegens onttrekken woning aan bestemming tot bewoning bevestigd

Eiser huurt sinds 2017 een woning in Rotterdam die op 22 juli 2024 werd aangetroffen met een ontmantelde hennepkwekerij. Het college legde een bestuurlijke boete van €8.000 op wegens het zonder vergunning onttrekken van de woning aan de bestemming tot bewoning. Eiser voerde aan dat er geen actieve hennepkwekerij was en dat de woning deels bewoond werd, maar de rechtbank oordeelde dat de woning grotendeels was onttrokken aan de woonbestemming.

De rechtbank stelde vast dat drie van de vier kamers uitsluitend werden gebruikt voor hennepkweekgerelateerde doeleinden en dat een huishoudelijk leven niet mogelijk was. Eiser werd als overtreder aangemerkt omdat hij de woning aan een vriend in gebruik had gegeven en onvoldoende toezicht hield, waardoor hij de overtreding aanvaardde.

Eiser verzocht om matiging van de boete wegens afwezigheid van verwijtbaarheid en financiële omstandigheden, maar de rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij alles had gedaan om de overtreding te voorkomen. Ook was er geen sprake van bijzondere omstandigheden die matiging rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de boete bevestigd.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de bestuurlijke boete van €8.000 wegens onttrekken van de woning aan de bestemming tot bewoning.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3824

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Krimpen aan den IJssel, eiser

(gemachtigde: mr. M.R. de Kok),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. W. Breure).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen een bestuurlijke boete die het college heeft opgelegd wegens het zonder vergunning onttrekken van een woning aan de bestemming tot bewoning. Eiser is het niet eens met de bestuurlijke boete. Aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht een bestuurlijke boete van € 8.000,- aan eiser heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 10 oktober 2024 heeft het college aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij het opleggen van de bestuurlijke boete gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft op 21 november 2025 aanvullende stukken ingediend. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. Eiser heeft hiervan op 26 november 2025 gebruik gemaakt. Het college heeft op 3 december 2025 op deze stukken gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft op 24 december 2025 aan partijen laten weten voldoende te zijn voorgelicht om een uitspraak te doen en dat zij geen nadere zitting nodig acht. Partijen hebben laten weten geen nadere zitting te wensen. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser huurt sinds 1 februari 2017 de woning aan het adres [adres] (de woning). Op 22 juli 2024 heeft de inspecteur [1] het verzoek van de politie gekregen om naar de woning van eiser te komen in verband met het aantreffen van een ontmantelde hennepkwekerij. De bevindingen van de inspecteur zijn weergegeven in de bestuurlijke rapportage van 22 juli 2024 (de bestuurlijke rapportage). Daarin staat – zakelijk weergegeven - het volgende.
  • Slaapkamer 1 was ingericht als hennepkwekerij maar gedeeltelijk was deze al ontmanteld. In deze slaapkamer waren de muren afgeplakt met witte plastic folie. Er stond een metalen frame van een grow-tent en werden assimilatielampen en een Canna-cutter (rechtbank: een knipmachine) aangetroffen. Een Canna-cutter wordt gebruikt voor het ontbladeren van hennepplanten aan het einde van de oogst. Ook lagen in de kamer kleine restanten van hennepplanten. De inspecteur rook in deze kamer een hem ambtshalve bekende hennepgeur.
  • In de tweede slaapkamer stonden een grote hoeveelheid transformatoren en een grote afzuiginstallatie. Deze ruimte is vermoedelijk in gebruik geweest om de stank van de hennepruimtes te filteren en af te blazen naar buiten toe. Verder is een grote hoeveelheid gebruikte (de rechtbank begrijpt:) plantenbakken aangetroffen waarin hennepplanten hadden gestaan.
  • In de woonkamer was een gipswand gemaakt, waardoor een derde kamer was ontstaan welke voorheen onderdeel was van de woonkamer. De derde kamer stond vol met hennep gerelateerde apparatuur. Ook is hier een grote hoeveelheid hennepafval (restanten plantenstelen afkomstig van hennepplanten) in vuilniszakken gevonden. Achter de gipswand was een kleine woonkamer gecreëerd met op de grond een matras, een stoel, tv aan de muur en een klein bankstel met salontafel. Deze inrichting werd vermoedelijk gebruikt om de hennepkwekerij te bewaken. Verder werd er in de woning niet geleefd. Er waren geen kasten met kleding, geen toiletartikelen of iets dergelijks.
De inspecteur komt tot de conclusie dat de woning uitsluitend werd gebruikt voor het kweken van hennep en dat een huishoudelijk leven in de woning niet mogelijk was.
4. Op 1 augustus 2024 heeft het college het voornemen geuit om aan eiser een bestuurlijke boete op te leggen van € 8.000,- omdat eiser de woning in strijd met artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 (Hw) in samenhang met artikel 3.1.1 van de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2021 (de Verordening) zonder een onttrekkingsvergunning aan de bestemming tot woonruimte heeft onttrokken ten behoeve van hennep. Eiser wordt als overtreder aangewezen omdat hij huurder is van de woning. Op grond van de tabel die als bijlage is gevoegd bij de Verordening heeft het college de hoogte van de boete vastgesteld op € 8.000,-.
Eiser heeft op 10 augustus 2024 zijn zienswijze ingediend.
5. Met het primaire besluit heeft het college aan eiser de bestuurlijke boete opgelegd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
6. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. Volgens het college is sprake van woningonttrekking omdat in drie van de vier kamers hennepapparatuur is aangetroffen. Er zijn geen kasten met kleding of toiletartikelen aangetroffen. De aangetroffen situatie deed bij de inspecteur het vermoeden rijzen dat de woning uitsluitend werd gebruikt voor het kweken van hennep. Een huishoudelijk leven voeren in de woning was volgens de inspecteur niet mogelijk. Het is voor het aannemen van een overtreding van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a van de Hw niet nodig dat er een actieve hennepkwekerij is aangetroffen. Ook de opslag van de aangetroffen hoeveelheid spullen is het gebruiken van de woonruimte voor een ander doel dan bewoning en dus onttrekken aan de bestemming tot bewoning. Eiser wordt als overtreder aangewezen omdat hij als huurder de woning beschikbaar heeft gesteld aan een derde en het onttrekken heeft aanvaard door de woning te (laten) gebruiken ten behoeve van hennepteelt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de overtreding niet of in verminderde mate aan hem te verwijten is. De hoogte van de boete is in overeenstemming met artikel 4.4, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Verordening. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de hoogte van de boete te matigen is volgens het college niet gebleken. Daarbij merkt het college op dat er in het kader van de invordering kan worden gevraagd om een betalingsregeling.
Toetsingskader
7. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college terecht aan eiser een boete ter hoogte van € 8.000,- heeft opgelegd. Zij zal in dat verband allereerst beoordelen of sprake is van een overtreding en daarna - als hier aan toegekomen wordt - beoordelen of eiser terecht als overtreder is aangemerkt en de hoogte van de boete beoordelen.
8. Omdat het opleggen van een bestuurlijke boete een sanctie met een bestraffend karakter is, worden aan de bewijsvoering van de overtreding en de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen gesteld. Gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, geldt als uitgangspunt dat de bewijslast dat sprake is van een overtreding op het bestuursorgaan rust. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund.
9. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is er sprake van een overtreding?
10. Eiser voert aan dat het college niet bevoegd was een boete op te leggen omdat geen sprake is van een overtreding. Eiser voert aan dat hij de woning niet aan de woonbestemming heeft onttrokken. Er is geen werkende hennepkwekerij aangetroffen en hier was ook geen sprake van. De spullen die zijn aangetroffen stonden daar enkel voor opslag. Het feit dat er in verschillende ruimtes in de woning spullen staan opgeslagen kan nog niet tot de conclusie leiden dat er niet in de woning gewoond kan worden. Daarnaast waren, in tegenstelling tot wat is opgenomen in de rapportage, in de woning wel kleding en toiletartikelen aanwezig. Ook is een deel van de woonkamer ingericht als woonruimte. Bovendien is eiser vrijgesproken van diefstal van elektriciteit. Het verbruik van elektriciteit over de meter op een legale wijze wijst niet op een in werking zijnde hennepkwekerij in de woning.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op basis van de in de woning aangetroffen situatie, zoals weergegeven in de bestuurlijke rapportage en samengevat in het bestreden besluit, op het standpunt kunnen stellen dat de woning (gedeeltelijk) is onttrokken aan de bestemming tot woonruimte. De rechtbank verwijst in dit verband naar de bevindingen hiervoor vermeld onder 3, welke bevindingen overigens steun vinden in het door eiser in beroep overgelegde proces-verbaal van de politie. Dat er ten tijde van het binnentreden geen sprake was van een actieve hennepkwekerij en dat eiser is vrijgesproken van diefstal van stroom, kan niet afdoen aan het standpunt van het college. Eiser wordt niet verweten dat hij een (actieve) hennepplantage in de woning had, maar dat hij de woning aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken. Het gebruik van de woning voor opslag valt hier ook onder. Blijkens de bestuurlijke rapportage was de woning grotendeels niet meer geschikt voor bewoning. Drie van de vier kamers werden exclusief gebruikt voor (grote) hoeveelheden aan hennepkweek gerelateerde goederen en uit de bestuurlijke rapportage en het proces-verbaal van de politie volgt dat in die drie kamers geen meubels of andere goederen zijn aangetroffen die de ruimtes nog voor bewoning geschikt maakten.
10.2.
Wat betreft eisers stelling dat er wel in de woning geleefd werd, overweegt de rechtbank het volgende. De inspecteur heeft in de rapportage expliciet opgenomen dat er geen kasten met kleding of toiletartikelen zijn aangetroffen. De enkele stelling van eiser dat deze wel in de woning aanwezig waren, is onvoldoende om te twijfelen aan de inhoud van de bestuurlijke rapportage. Ter zitting heeft eiser gewezen op de vermelding in het proces-verbaal van de politie dat de verbalisanten aan de attributen zagen dat er in een van de ruimtes van de voormalige woonkamer geleefd werd. De rechtbank overweegt dat volgens de inspecteur deze ruimte vermoedelijk werd gebruikt om de hennepkwekerij te bewaken, dat een huishoudelijk leven in de woning niet mogelijk was en dat er in de woning geen kasten met kleding en toiletspullen zijn aangetroffen (welke persoonlijke zaken naar het oordeel van de rechtbank kunnen wijzen op een verblijf van enige duur). Wat daar verder ook van zij, ook wanneer wel in de woning werd gewoond of verbleven (al dan niet voor het bewaken van een hennepkwekerij), geldt dat het grotendeels gebruiken van de woning voor een andere functie dan wonen voldoende is om te spreken van het onttrekken aan de bestemming tot bewoning.
10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een onttrekking van de woonruimte aan de bestemming tot bewoning en daarmee van een overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van de Hw.
Heeft het college eiser als overtreder kunnen aanmerken?
11. Eiser voert aan dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij heeft de woning tijdelijk aan een vriend in gebruik gegeven. Deze vriend heeft een periode van ongeveer vier tot zes weken van de woning gebruik gemaakt. Eiser stelt in zijn beroepsgronden dat hij na de overdracht van de sleutel aan de vriend nog één keer de woning heeft bezocht. De hennepapparatuur en de restanten van hennepplanten waren toen niet in de woning aanwezig.
11.1.
Gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een ander als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, is de Afdeling in haar uitspraken van 31 mei 2023 [2] aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. Zoals de Afdeling uiteen heeft gezet in de uitspraak van 31 mei 2023 [3] houdt de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad voor zover het gaat om natuurlijke personen in dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de verdachte als (functioneel) dader kan worden toegerekend indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. [4] Het bestuursorgaan moet bewijzen dat aan de criteria voor functioneel daderschap is voldaan. [5]
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college eiser in het licht van deze criteria, die door het college ook zijn opgenomen in het bestreden besluit, terecht als overtreder heeft aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
11.3.
Overtreding van het onttrekkingsverbod als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Hw, houdt direct verband met de wijze waarop de woning wordt gebruikt. Eiser had als huurder de woning in gebruik gekregen om te bewonen en heeft de woning zelf aan een ander in gebruik gegeven door de sleutels tijdelijk aan een vriend te geven. In zoverre kon hij dus – zoals het college terecht overweegt – beschikken over het gebruik van de woning. Eiser kon er dan ook over beschikken of de woning al dan niet aan de bestemming tot bewoning zou worden onttrokken. In het kader van het aanvaardingsvereiste heeft het college in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser, door de sleutels van de woning aan een derde te geven en geen aanvullende afspraken te maken over het gebruik van de woning of op andere wijze toezicht te houden op het gebruik van de woning, niet de nodige zorg heeft betracht die in redelijkheid van hem als huurder kon worden gevergd. Daar komt bij dat eiser op de zitting, in tegenstelling tot wat is vermeld in de beroepsgronden, heeft verklaard dat hij een paar dagen voor de instap van de politie in de woning is geweest en dat hij toen de aan hennepteelt gerelateerde materialen heeft gezien. Eiser stelt dat hij tegen de vriend heeft gezegd dat hij de spullen uit de woning moest halen en daarna zelf de woning moest verlaten. Het had op de weg van eiser gelegen direct zelf actie te ondernemen om de spullen te verwijderen en de woning weer voor bewoning geschikt te maken, dan wel van de vriend te eisen dit direct te doen en erop toe te zien dat dit ook zou gebeuren. Door onvoldoende toezicht te houden op het gebruik van de woning en het verwijderen van de spullen heeft eiser niet het rechtmatig gebruik van de woning gewaarborgd en heeft hij (het voortbestaan van) de overtreding aanvaard. Gelet op het voorgaande kon eiser beschikken over de woning en heeft hij aanvaard dat zijn vriend de woning aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken, als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Hw.
Had het college moeten afzien van het opleggen van een boete of de boete moeten matigen?
12. Eiser voert in zijn beroepsgronden aan dat het college had moeten afzien van het opleggen van een boete dan wel de boete had moeten matigen. De hennepkwekerij is niet in werking geweest. De verwijtbaarheid van eiser ontbreekt. Eiser is niet degene die de hennepapparatuur en de restanten van hennepplanten in de woning heeft bewaard, hij had hier ook geen wetenschap van. De gevolgen van het handelen van zijn vriend zijn verstrekkend geweest. Eiser is zijn woning kwijtgeraakt en heeft aanzienlijke financiële schade geleden bestaande uit de kosten van Stedin van € 5.000,-, een schadeclaim van zijn verhuurder van € 500,-, de kosten voor heraansluiting van de woning van € 500,- en de kosten van rechtsbijstand. Verder is hij strafrechtelijk vervolgd. Hij heeft een geringe draagkracht. Ook stelt eiser dat de ernst van de overtreding een matiging van de boete rechtvaardigt. Eiser heeft ter zitting nog opgemerkt dat hij stukken aan het college heeft verstrekt over zijn financiële situatie.
12.1.
In artikel 5:41 van Pro de Awb is bepaald dat de bevoegdheid om een boete op te leggen niet mag worden uitgeoefend als de overtreder geen verwijt treft. Het bestuursorgaan hoeft de verwijtbaarheid niet te bewijzen, maar mag deze veronderstellen als het daderschap vaststaat, mits tegenbewijs mogelijk is. Het is aan de beboete persoon feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken, waaraan het rechtsgevolg kan worden verbonden dat verwijtbaarheid ontbreekt. Het is in dit geval dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat hij alles wat redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de vastgestelde overtreding te voorkomen. [6] De rechtbank ziet met het college voor het ontbreken van verwijtbaarheid bij eiser geen aanknopingspunten. Zoals overwogen onder 11.3. is eiser als huurder verantwoordelijk voor het gebruik van de woning en heeft hij niet de nodige zorg betracht die in redelijkheid van hem als huurder kon worden gevergd. Bovendien heeft eiser niet meteen zelf actie ondernomen dan wel laten ondernemen toen hij de materialen in woning heeft waargenomen. Om die redenen kan eiser een verwijt worden gemaakt en heeft het college niet hoeven afzien van het opleggen van een boete.
12.2.
Omdat de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, moet de hoogte van de boete worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Hierin is bepaald dat het bestuursorgaan een bij wettelijk voorschrift vastgestelde boete matigt, als de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Volgens vaste rechtspraak [7] kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden. Als de overtreder stelt dat een of meer van deze omstandigheden aan de orde zijn, moet hij dat aannemelijk maken. De rechter toetst de hoogte van de boete zonder terughoudendheid en met inachtneming van de financiële omstandigheden waarin eiser ten tijde van de beroepsprocedure verkeert (“ex nunc”).
12.3.
Eisers stelling dat de hennepkwekerij niet actief is geweest, kan niet tot matiging van de boete leiden. Het college heeft terecht overwogen dat de boete immers niet is opgelegd wegens het kweken van hennep, maar vanwege het onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning.
12.4. Van een verminderde verwijtbaarheid is geen sprake. Zoals de rechtbank hiervoor onder 11.3. en 12.1 heeft overwogen, kon eiser over de (bestemming van de) woning beschikken en heeft hij de overtreding aanvaard. Eiser is als huurder verantwoordelijk voor hoe zijn vriend de woning gebruikt. Eiser heeft niet de zorg betracht die in redelijkheid van hem kon worden gevergd en onvoldoende actie ondernomen toen hij zag dat er aan hennepkweek gerelateerde goederen aanwezig waren.
12.5.
Eiser heeft in het kader van een aanvraag voor een betalingsregeling begin 2025 financiële stukken overgelegd aan de Afdeling debiteurenbeheer van verweerder. Eiser heeft dit niet in de bezwaarprocedure vermeld noch de betreffende stukken aan de behandelaar van het bezwaar toegestuurd. Het college heeft daardoor geen kennis genomen van deze stukken en deze niet in het bestreden besluit betrokken. Na de zitting heeft eiser deze stukken overgelegd en heeft het college deze alsnog beoordeeld. Het college stelt zich op het standpunt dat (ook) deze stukken geen aanleiding geven de boete te matigen. De rechtbank is dit met het college eens. Uit de overgelegde stukken (een inkomsten- en uitgavenformulier, eisers salarisstroken van augustus, september, oktober en november 2024 en bankafschriften van september en oktober 2024) volgt niet dat destijds sprake was van een geringe financiële draagkracht. Eiser heeft verklaard dat hij toen nog werkte als uitzendkracht en blijkens de overgelegde stukken verdiende hij ongeveer € 2.095,- netto per maand. Bovendien heeft eiser erkend het bedrag aan Stedin van € 5.000,- al te hebben betaald. Uit het door eiser ingevulde inkomsten- en uitgavenformulier blijkt dat hij destijds geen schulden had en voldoende netto inkomsten had om zijn vaste lasten te betalen en om geld over te houden. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij inmiddels geen vast inkomen meer heeft en antikraak woont, maar heeft geen inzicht gegeven in zijn concrete huidige inkomsten, vaste lasten en eventuele schulden.
12.6.
Uit het voorgaande volgt dat het college in het bestreden besluit terecht tot de conclusie is gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot matiging hadden moeten leiden en dat het college ook in beroep zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding is om de boete te matigen. De rechtbank overweegt ten overvloede dat eiser zich tot het college kan wenden indien hij alsnog een betalingsregeling wil treffen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de bestuurlijke boete moet betalen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:41
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Artikel 5:46
[…]
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
[…]
Huisvestingswet 2014
Artikel 21
1. Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden;
[…]
Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2021
Artikel 3.1.1 Toepassingsgebied
1. Het verbod bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de Huisvestingswet 2014 is van toepassing op alle woonruimten gelegen in de gemeente Rotterdam.
[…]
Artikel 4.4 Bestuurlijke boete
1. Het college kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van:
a. de artikelen 2.2, tweede lid, 2.5, vijfde lid, 3.5.2 van deze verordening, artikel 21, eerste lid, onderdeel a, c en e, artikel 22, eerste lid en artikel 23a, eerste lid van de Huisvestingswet 2014 en
[…]
2. De in het eerste lid bedoelde boete bedraagt:
a. voor de eerste overtreding van de artikelen 2.2, tweede lid en 3.5.2 van deze verordening en de artikelen 21, eerste lid, onderdelen a, c en e, 22, eerste lid, 23a, eerste en derde lid, 23d en 41, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 de bedragen die in de tabellen 1 tot en met 11 en tabel 13 in bijlage 4 zijn opgenomen in de kolom ‘eerste overtreding’;
[…]
Bijlage 4. Bedragen bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.4
Tabel 2: Bestuurlijke boete bij overtreding van artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de Huisvestingswet 2014.
Eerste overtreding
Tweede overtreding
Derde overtreding
Vierde overtreding en verder
Onvergund onttrekken van woonruimte
€ 8.000
€ 12.000
€ 18.500
€ 21.750

Voetnoten

1.Een inspecteur van de dienst Stadsontwikkeling van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht. De inspecteur is belast met toezichthoudende taken als bedoeld in onder andere de Huisvestingswet.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071.
4.Vergelijk ook de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3 (IJzerdraad-arrest), en van 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3487.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1266.
6.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:117.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4210.