Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5564

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
12003504 HA VERZ 25-98 en 12010763 HA VERZ 25-100
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:673 lid 7 BWArt. 6:127 BWAmbtenarenwet 2017Arbeidstijdenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens herhaald onjuist verklaren over nevenwerkzaamheden bevestigd

De werknemer trad in 2007 in dienst bij de gemeente Hoeksche Waard en werd op 9 oktober 2025 op staande voet ontslagen wegens het herhaaldelijk onjuist verklaren over de aard en omvang van haar nevenwerkzaamheden. De gemeente stelde dat zij zonder overleg een opdracht van 24 uur per week had aangenomen, terwijl zij slechts 8 uur had gemeld, en dat dit het vertrouwen ernstig had geschaad.

De werknemer erkende de opdracht, maar gaf als verklaring dat de werksfeer verstoord was en zij bang was haar nevenwerkzaamheden te moeten staken. De rechtbank oordeelde dat ondanks de moeilijke werksfeer de werknemer had moeten openbaren dat zij meer uren werkte dan gemeld en dat het herhaaldelijk verstrekken van onjuiste informatie een dringende reden voor ontslag opleverde.

De gefixeerde schadevergoeding aan de gemeente werd toegewezen maar gematigd tot de wettelijke ondergrens van één maand salaris, mede vanwege de lange diensttijd van bijna 18 jaar. De transitievergoeding en billijke vergoeding werden afgewezen omdat het gedrag van de werknemer ernstig verwijtbaar was. De proceskosten werden deels gecompenseerd en deels aan de werknemer opgelegd.

Uitkomst: Ontslag op staande voet is terecht gegeven; werknemer moet gefixeerde schadevergoeding betalen, transitievergoeding en billijke vergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummers: 12003504 HA VERZ 25-98 en 12010763 HA VERZ 25-100
uitspraak: 8 april 2026
beschikking van de kantonrechter
in de zaken van:
de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Hoeksche Waard,
gevestigd te Zwijndrecht,
gemachtigde: mr. V. Stavleu,
en
[werknemer] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. A. Stamoulis.
Partijen worden hierna mede aangeduid als ‘De gemeente’ en ‘ [werknemer] ’.

1.De procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
 het (deels voorwaardelijk) verzoekschrift van De gemeente in de zaak met zaaknummer 12003504 HA VERZ 25-98, met bijlagen;
 het verzoekschrift van [werknemer] in de zaak met zaaknummer 12010763 HA VERZ 25-100 (door de griffie per e-mail ontvangen op 9 december 2025), met producties;
 de verweerschriften van beide partijen, met producties;
 het verzoekschrift ex artikel 283 Rv Pro van [werknemer] ;
 de aanvullende producties van [werknemer] ;
 de pleitnotitie van mr. Stamoulis;
 de pleitaantekeningen van mr. Stavleu.
1.2.
De mondelinge behandeling van beide zaken is gehouden op 25 februari 2026. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.
1.3.
De uitspraak van deze beschikking is nader bepaald op vandaa

2.De beoordeling

De kern van het geschil

2.1.
In deze zaak gaat het in de kern om het volgende. [werknemer] is op 15 november 2007 in dienst getreden bij De gemeente. Zij had de functie van [functie] . Op 9 oktober 2025 is zij op staande voet ontslagen. [werknemer] is het met dat ontslag niet eens en vordert – na wijziging van haar verzoekschrift – betaling van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding [1] . De gemeente is van oordeel dat zij [werknemer] op terechte gronden heeft ontslagen. Zij vordert daarom toekenning van de gefixeerde schadevergoeding [2] .
2.1.1.
Aanvankelijk vorderde De gemeente ook (voorwaardelijk) ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk voor het geval geoordeeld zou worden dat het ontslag nietig is. Nu [werknemer] haar verzoek heeft gewijzigd, in die zin dat zij de zogenaamde ‘switch’ heeft gemaakt en nu berust in het einde van de arbeidsovereenkomst, wordt aan de beoordeling van het ontbindingsverzoek niet meer toegekomen. De resterende verzoeken en vorderingen van partijen worden hierna puntsgewijs besproken.
Het verzoekschrift van [werknemer] is tijdig ingediend
2.2.
Het verzoekschrift van [werknemer] is door de rechtbank ontvangen op 9 december 2025. Daarmee is haar verzoek tijdig ingediend, in de zin van artikel 7:686a lid 4 BW.
Het ontslag
2.3.
Beide partijen hebben, zoals gezegd, verzoeken ingediend. Voor alle verzoeken is de kernvraag of [werknemer] terecht op staande voet is ontslagen. Voor de beantwoording van die vraag geldt als kader dat in artikel 7:677 lid 1 BW Pro is bepaald dat ieder van partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen [3] .
2.3.1.
De gemeente heeft het ontslag op staande voet bevestigd in een brief van 10 oktober 2025. In die brief staan als redenen voor het ontslag genoemd:

(…)Uit het samenspel van artikel 7:653a BW en artikel 8 Ambtenarenwet Pro 2017 volgt dat het jou in beginsel vrij staat nevenwerkzaamheden te verrichten. Dit hebben wij jou ook niet verboden. Tegelijkertijd mogen de nevenwerkzaamheden niet in de weg staan aan de goede functievervulling en de goede functionering van de dienst van onze gemeente.
(…)
In ons personeelshandboek, dat op jouw arbeidsovereenkomst van toepassing is verklaard en waarover met jouw is gesproken, is nadere invulling gegeven aan de gegeven kaders.
(…)
Met de documenten die wij ontvingen staat het voor ons vast dat jij vanaf 10 juni 2025 tot in ieder geval 29 september 2025 (met uitzondering van de weken 25 en 26) steevast 24 uur per week voor Wijdemeren hebt gewerkt, onder meer op dagen waarop jij voor Hoeksche Waard beschikbaar zou moeten zijn en jij volgens jouw agenda ook werkzaam was.
(…)
d.. Voorafgaand aan het aannemen van de opdracht bij Wijdemeren heb jij met ons op geen enkele manier overleg gepleegd, over het aannemen van de nieuwe opdracht c.q. over de grote omvang ervan en de verenigbaarheid van die omvang met de omvang van jouw dienstverband met Hoeksche Waard.
e. Na aandringen heb je de melding nevenwerkzaamheden, zoals afgesproken en zoals eerder ook door jou gedaan, middels het door jou bekende meldingsformulier ingediend. Daarop heb jij enkel jouw eigen bedrijf als opdrachtgever vermeld, en heb je verklaard dat het nevenwerkzaamheden voor maximaal 8 uur per week betreft en dat het een dag in de week in overleg met de teammanager betreft.
(…)
g. Je hebt zodoende op 2 juli, 22 juli, 4 september én 5 september 2025, alsook in de tussenliggende contacten in het verloop van enkele maanden, volgehouden dat het om 8 uur per week aan nevenwerkzaamheden ging.
(…)
Met jouw handelen heb jij niet alleen kennelijk structureel de kaders van de Arbeidstijdenwet- en regelgeving overschreden en het ons onmogelijk gemaakt voldoende toezicht te houden op jouw welzijn, maar heb jij ook de normen van goed ambtelijk handelen en het in jou te stellen vertrouwen in zeer ernstige mate beschadigd.
(…)
Van een goed ambtenaar en medewerker van de gemeente Hoeksche Waard mag worden verwacht dat jij te allen tijde integer handelt én nalaat. Van jou mocht worden verwacht dat jij je van het bovengenoemd handelen had onthouden. Van jou mocht worden verwacht dat jij openheid van zaken zou hebben gegeven als er een gerechtvaardigde verklaring voor jouw handelen zou zijn, in plaats van herhaaldelijk onwaarheden te verkondigen.
(…)
Er is sprake van een dringende reden
2.4.
Niet ter discussie staat dat [werknemer] voor haar eigen onderneming vanaf 10 juni 2025 een opdracht voor 24 uur per week geaccepteerd. Dit heeft zij op 2 juli 2025 aan De gemeente gemeld. Vervolgens heeft zij op het formulier dat voor dergelijke meldingen bij De gemeente wordt gebruikt ingevuld dat deze opdracht maar voor 8 uur per week was [4] . De gemeente heeft op meerdere momenten in de periode van 2 juli 2025 tot 8 oktober 2025 vragen gesteld over deze opdracht. Als antwoord hierop heeft [werknemer] ofwel gezwegen, dan wel niet naar waarheid verklaard.
2.4.1.
[werknemer] geeft als verklaring voor hetgeen is gebeurd dat de werksfeer al langere tijd als verstoord werd ervaren. Dit gold niet alleen voor haar, maar voor vrijwel haar hele team. [werknemer] voelde zich niet veilig en had angst. Haar nevenwerkzaamheden gaven haar de mogelijkheid om wat positieve energie op te doen. Ook was zij bang dat ze met haar nevenwerkzaamheden zou moeten stoppen, als bekend werd dat zij deze voor 24 uur per week deed.
2.4.2.
De gemeente erkent dat voor personeel veel zaken speelden, dat het dus ‘rommelde’ en dat het team van [werknemer] daarover ook uitdrukkelijk om hulp heeft gevraagd. Voor De gemeente staat dit echter volledig los van de punten die zij [werknemer] verwijt. Voor haar is de kern van haar verwijt dat [werknemer] een forse nevenbetrekking heeft aanvaard, waarover zij desgevraagd geen openheid heeft gegeven en zelfs valselijk over heeft verklaard.
2.4.3.
[werknemer] verrichtte al sinds 2022 regelmatig nevenwerkzaamheden, bij verschillende opdrachtgevers. Zij heeft dit altijd bij De Gemeente gemeld, op de daarvoor binnen De Gemeente voorgeschreven manier. De gemeente heeft dit ook altijd goedgekeurd. Daarbij werden door De gemeente ook altijd duidelijk de kaders voor nevenwerkzaamheden geschetst, zoals bijvoorbeeld blijkt uit productie 4 bij het verzoekschrift van De gemeente. Juist omdat [werknemer] dus al eerder nevenwerkzaamheden had verricht en wist welke voorwaarden hiervoor golden, valt niet in te zien waarom zij nu opzettelijk en herhaaldelijk onjuiste informatie heeft verstrekt, dan wel heeft gezwegen waar haar meerdere keren is gevraagd om informatie te geven. Als al wordt aangenomen dat de werksfeer onveilig was – De gemeente betwist dat immers gemotiveerd – valt niet, althans onvoldoende, in te zien waarom [werknemer] geen informatie heeft gegeven of overleg heeft gevoerd. Gelet op het verleden én haar positie binnen De gemeente had het haar zonder meer duidelijk moeten zijn waarom openheid van zaken van haar verwacht mocht worden.
Door doelbewust en op meerdere momenten in de tijd valse informatie te verstrekken, is [werknemer] zodanig tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst dat sprake is van een dringende reden. [werknemer] heeft het vertrouwen van haar werkgever verloren en van De gemeente hoefde na een periode van ruim drie maanden niet te worden verwacht dat zij [werknemer] nog meer tijd gaf of volstond met een waarschuwing. Anders gezegd: het ontslag op staande voet is terecht gegeven.
2.4.4.
Nu het ontslag terecht is gegeven is geen plaats voor toekenning van een gefixeerde schadevergoeding aan [werknemer] .
Gefixeerde schadevergoeding voor De gemeente
2.5.
De gemeente vordert in haar verzoekschrift ook betaling van de gefixeerde schadevergoeding. Voor toekenning van deze vergoeding is vereist dat sprake is van een dringende reden voor ontslag én dat die dringende reden is veroorzaakt door opzet of schuld [5] . Hiervoor is al geoordeeld dat sprake was van een dringende reden. In die beoordeling ligt in dit geval besloten dat de dringende reden is veroorzaakt door de schuld van [werknemer] . Zij moet dus de gefixeerde schadevergoeding aan De gemeente betalen. Bij de bepaling van de hoogte van die vergoeding zal het (meer subsidiaire) verzoek van [werknemer] tot matiging worden gehonoreerd. Daarbij wordt gematigd tot de wettelijke ondergrens, zijnde de wettelijke opzegtermijn van één maand. In die beslissing spelen onder meer een rol de duur van de arbeidsovereenkomst (bijna 18 jaar) en de manier waarop [werknemer] haar werk heeft verricht en is beoordeeld. Ook weegt mee dat de vergoeding weliswaar gefixeerd is en dus niet afhankelijk is van daadwerkelijk geleden nadeel, maar dat zij wel strekt ter compensatie van nadeel en dat niet is gebleken dat hiervan aan de zijde van De gemeente sprake is.
2.5.1.
Partijen zijn het eens over de hoogte van het salaris dat als uitgangspunt moet worden gebruikt voor de berekening van de vergoeding. Aangezien het verzoek tot matiging slaagt, wordt de berekening van [werknemer] gevolgd (zie onder 5.1. van haar verweerschrift). Verder geldt dat De gemeente de vergoeding mag verrekenen met de eindafrekening, zoals zij ook al heeft gedaan. Het gevolg van die verrekening is dat de verbintenissen tot hun gezamenlijke beloop teniet gaan (zie artikel 6:127 BW Pro). Daardoor is [werknemer] slechts over het restant van de gefixeerde schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd. Die wordt op de hierna te vermelden manier toegewezen.
2.5.2.
Voor zover De gemeente met haar vordering onder i heeft bedoeld een verklaring voor recht te vragen op dit punt, wordt die niet gegeven. Welk belang zij daarbij heeft, naast een veroordeling tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, is namelijk niet gebleken.
2.5.3.
[werknemer] heeft ook verzocht om, in het geval aan De gemeente een gefixeerde schadevergoeding wordt toegekend, te bepalen dat De gemeente inzage geeft in haar verlofoverzicht. Dit verzoek is onderbouwd met de stelling dat zij meent een hoger saldo aan openstaand verlof te hebben dan De gemeente in de eindafrekening heeft opgenomen. Geen van partijen heeft echter een verlofoverzicht of een concrete berekening in het geding gebracht. Omdat op De gemeente als werkgever de wettelijke plicht rust om een deugdelijke urenadministratie bij te houden wordt dit verzoek van [werknemer] op de hierna te vermelden manier toegewezen.
Geen transitievergoeding
2.6.
[werknemer] vordert betaling van de transitievergoeding. De transitievergoeding is echter niet verschuldigd wanneer het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer [6] . Hetgeen onder 2.4.3. en 2.4.4. is overwogen is echter gedrag van [werknemer] dat (ook) als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Evenmin is gebleken dat sprake is van omstandigheden die het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van een situatie waarin het niet toekennen van de transitievergoeding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De hoge lat hiervoor geldt wordt niet gehaald. De gemeente hoeft dus geen transitievergoeding te betalen aan [werknemer] .
Geen billijke vergoeding
2.7.
Hetgeen is overwogen ten aanzien van de transitievergoeding brengt mee dat evenmin plaats is voor toekenning van een billijke vergoeding aan [werknemer] . Van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van De gemeente is immers geen sprake.
Proceskosten
2.8.
In de zaak met zaaknummer 12003504 HA VERZ 25-98 zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld. De proceskosten worden daarom in deze zaak gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.8.1.
In de zaak met zaaknummer 12010763 HA VERZ 25-100 is [werknemer] de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Deze worden aan de kant van De gemeente begroot op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde. De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar.

3.Beslissing

De kantonrechter:
in de zaak met zaaknummer 12003504 HA VERZ 25-98:
3.1.
veroordeelt [werknemer] tot betaling aan De gemeente van een bedrag van € 11.016,26 bruto aan gefixeerde schadevergoeding;
3.2.
bepaalt dat De gemeente de hiervoor genoemde gefixeerde schadevergoeding mag verrekenen met hetgeen zij uit hoofde van de eindafrekening nog verschuldigd is aan [werknemer] en dat [werknemer] is gehouden tot betaling van het bedrag dat na verrekening resteert, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat restant vanaf 9 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
3.3.
bepaalt dat De gemeente aan [werknemer] een overzicht van haar verlofregistratie dient te verstrekken;
3.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de zaak met zaaknummer 12010763 HA VERZ 25-100:
3.5.
wijst de verzoeken en vorderingen van [werknemer] af;
3.6.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, die aan de zijde van De gemeente worden begroot op € 865,- aan salaris voor haar gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;
in beide zaken:
3.7.
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
783

Voetnoten

1.Zaaknummer: 12010763 HA VERZ 25-100
2.Zaaknummer 12003504 HA VERZ 25-98
3.Hoge Raad 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849
4.Productie 6 bij verzoekschrift van De gemeente
5.Artikel 7:677 BW Pro
6.artikel 7:673 lid 7 BW Pro