ECLI:NL:RBROT:2026:5611

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
ROT 23/2573
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a:3 WajongArt. 4:6 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning Wajong-uitkering na herziening op basis van deskundigenrapport

Eiseres had een eerdere aanvraag voor een Wajong-uitkering die in 2019 werd afgewezen. Na een hernieuwde aanvraag in 2022 wees het UWV deze opnieuw af, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Eiseres stelde dat zij haar arbeidsvermogen duurzaam had verloren tussen haar achttiende en drieëntwintigste verjaardag en dat haar beperkingen waren onderschat.

De rechtbank benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die concludeerde dat eiseres door een progressieve neurologische ziekte sinds 2019 onvoldoende arbeidsvermogen heeft en niet kan participeren in arbeid. De rechtbank volgde dit deskundigenrapport en oordeelde dat eiseres recht heeft op een Wajong-uitkering met ingang van 26 november 2020.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, waardoor eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000, die door het UWV en de Staat wordt verdeeld. Ook werden proceskosten en griffierechten aan eiseres toegekend. Het bestreden besluit werd vernietigd en het eerdere besluit herroepen.

Uitkomst: De rechtbank kent eiseres met terugwerkende kracht vanaf 26 november 2020 een Wajong-uitkering toe en wijst een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/2573

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats 1] , eiseres,

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [naam 2] ),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het herzieningsverzoek van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wet Wajong). De rechtbank heeft aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige in te schakelen en volgt de conclusies van de deskundige. Op grond van artikel 1a:1, tweede lid, in verbinding met artikel 1a:3, eerste lid, van de Wajong wordt aan eiseres per
26 november 2020 een Wajong-uitkering toegekend.

Procesverloop

1.1.
Met het besluit van 11 augustus 2022 (het primaire besluit) heeft het UWV een nieuwe aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 14 maart 2023 (het bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
1.7.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend en een deskundige benoemd.
Op 10 oktober 2025 heeft de deskundige, verzekeringsarts J.F. Ankersmit, een rapport uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Het UWV heeft bij nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 november 2025 gereageerd.
1.8.
Bij bericht van 11 mei 2026 heeft eiseres de rechtbank verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
1.9.
De rechtbank heeft, nadat partijen hiertoe in de gelegenheid zijn gesteld en eiseres hierom verzocht heeft, het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar broer, en de gemachtigde van eiseres. Het UWV is met bericht niet verschenen.

Totstandkoming van het besluit

2.1.
Eiseres, geboren op [geboortedatum] , heeft eerder een beoordeling arbeidsvermogen aangevraagd. Bij besluit van 26 november 2019 heeft het UWV de Wajong-uitkering geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het besluit in rechte vast staat.
2.2.
Eiseres heeft op 27 mei 2022 een hernieuwde aanvraag ingediend. De verzekeringsarts van het UWV stelde na onderzoek vast dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren om de voorgaande beslissing te herzien en dat geen sprake was van een toename van de beperkingen van eiseres in de periode tussen de laatste beoordeling en haar drieëntwintigste verjaardag. Met het primaire besluit heeft het UWV de aanvraag om een Wajong-uitkering afgewezen, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft het UWV het primaire besluit gehandhaafd.

Standpunt eiseres

3. Eiseres voert in beroep aan dat er wel nieuwe feiten en omstandigheden zijn en dat zij niet beschikt over enig arbeidsvermogen. Deze heeft zij duurzaam verloren tussen haar achttiende en drieëntwintigste verjaardag, waardoor zij in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Eiseres voert aan dat haar beperkingen zijn onderschat en dat de gegevens van de behandelend sector onvoldoende zijn meegewogen. Zij wijst er bijvoorbeeld op dat zij ook is ontheven van haar arbeidsverplichting.

Beoordeling door de rechtbank

4. De aanvraag van eiseres is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In verschillende uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) uitgemaakt hoe het bestuursorgaan een herhaalde aanvraag moet beoordelen en hoe de rechtbank vervolgens een besluit over een herhaalde aanvraag behoort te toetsen. In arbeidsongeschiktheidszaken gelden daartoe bijzondere voorwaarden. [1]
Het UWV kan op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ervoor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden er volgens hem niet zijn.
De bestuursrechter dient aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. [2]
Het UWV mag de aanvraag ook inhoudelijk behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen, ook als de aanvrager daaraan geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Voor het toetsingskader van de rechtbank is van belang welke keuze het UWV maakt.
Nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb Pro
5. Het UWV heeft beslist het verzoek van eiseres om herziening voor het verleden af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn.
6. Het UWV heeft op goede gronden beslist dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van zulke feiten en omstandigheden die maken dat moet worden teruggekomen van het besluit van 26 november 2019. Het afwijzen van het verzoek tot herziening van het eerdere besluit is voorts niet evident onredelijk.
De Amber-aanspraak
7.1.
Het UWV heeft voorts getoetst of eiseres een aanspraak kan ontlenen aan de zogenoemde Amber-bepaling. [3] In de medische informatie in het dossier heeft de rechtbank aanleiding gezien om de deskundige op te dragen eiseres te onderzoeken en verslag uit te brengen. De deskundige heeft in zijn rapport geconcludeerd - kort weergegeven - dat bij eiseres sprake is van cognitieve problemen in verband met haar relapsing remitting multiple sclerose, dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoemde deconditionering niet voortvloeit uit gedrag maar uit ziekte en dat, gelet op de progressieve neurologische ziekte en de latere informatie over eiseres, het aannemelijk is dat bij eiseres sprake is van een geleidelijk beloop en toename van klachten en beperkingen voor haar 23ste verjaardag. Er zijn daarvoor ruim voldoende objectieve bevindingen en ook op een latere MRI na het 23ste jaar worden nieuwe laesies gevonden die ondersteunen dat er achteruitgang plaats heeft gevonden. De deskundige komt tot de conclusie dat er voldoende redenen zijn om meer beperkingen aan te nemen ten aanzien van cognities, geheugen en passiviteit. Deze zijn zodanig dat eiseres niet gedurende ten minste een uur aaneengesloten kan werken en zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. De deskundige motiveert dat het zeer aannemelijk is dat eiseres rond 2019 reeds over onvoldoende arbeidsvermogen beschikte en dat zij geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kan ontwikkelen, nu sprake is van een progressief ziektebeeld. In zijn aanvullend rapport van 16 januari 2026 heeft de deskundige, in reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 november 2025, gepersisteerd bij zijn conclusies en deze nader toegelicht.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak [4] volgt de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke deskundige als diens motivering hem overtuigend voorkomt. De rechtbank overweegt dat het deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft eiseres gezien op een spreekuur, anamnese en heteroanamnese afgenomen en dossier- en literatuurstudie verricht. Zijn conclusies zijn voldoende inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De rechtbank zal deze daarom volgen.
7.3.
Uit het rapport van de deskundige kan worden afgeleid dat het aannemelijk is dat eiseres haar arbeidsvermogen in 2019 duurzaam is verloren. Daarmee voldoet eiseres sinds 2019 aan de voorwaarden van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong, zodat zij alsnog als jonggehandicapte moet worden aangemerkt.
8. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep gegrond wordt verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
9. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat eiseres op grond van artikel 1a:3, eerste lid, van de Wajong, recht heeft op een Wajong-uitkering met ingang van 26 november 2020, twaalf maanden na de dag waarop voor het laatst werd vastgesteld dat zij geen jonggehandicapte was.

Overschrijding redelijke termijn

10.1.
Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Het is vaste rechtspraak dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de redelijke termijn is overschreden wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren.
10.2.
De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift door het UWV, te weten op 23 augustus 2022. Op de datum van de uitspraak is de termijn met (afgerond) 21 maanden overschreden. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
10.3.
Omdat de redelijke termijn met 21 maanden is overschreden, heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 2.000. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 14 maart 2023. De termijn voor de bezwaarfase is daarmee met (afgerond) een maand overschreden. Die overschrijding moet worden toegerekend aan het UWV. Het restant van de overschrijding wordt toegerekend aan de Staat. Het UWV moet daarom 1/21 deel van de schadevergoeding (€ 95,24) aan eiseres betalen en de Staat het resterende deel (€ 1.904,76).

Conclusie en gevolgen

11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend, aan de zitting, en aan de nadere zitting van de rechtbank deelgenomen. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,00. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00.
11.2.
Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-
(1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Het UWV en de Staat moeten beiden hiervan de helft betalen. [5] De slotsom is dat het UWV in totaal € 3.900,50 aan proceskostenvergoeding aan eiseres moet betalen en de Staat € 233,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 maart 2023;
- herroept het besluit van 11 augustus 2022;
- bepaalt dat eiseres recht heeft op een Wajong-uitkering met ingang van 26 november 2020
en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt het UWV tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 95,24;
- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 1.904,76;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt;
-veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.900,50
;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit onder meer de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2421.
3.Artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2456.