ECLI:NL:CRVB:2025:1340
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep WIA na tegemoetkomend besluit en schadevergoeding redelijke termijn
Appellante kreeg aanvankelijk een WGA-uitkering toegekend met een laag dagloon. Na bezwaar wijzigde het UWV dit in een IVA-uitkering met een hoger dagloon, maar appellante bleef bezwaar maken over het aantal dagloondagen. Tijdens het hoger beroep nam het UWV een gewijzigde beslissing die geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante.
Hierdoor verloor appellante het procesbelang en werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante, begroot op €4.308,25, inclusief vergoeding van griffierechten.
Verder werd vastgesteld dat de procedure van bijna zes jaar de redelijke termijn overschreed. De Raad veroordeelde de Staat en het UWV tot een gezamenlijke schadevergoeding van €2.500,-, waarbij het UWV €775,86 en de Staat €1.724,14 moet betalen. Ook werden proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding verdeeld tussen Staat en UWV.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en UWV en Staat worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten.