Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
Samenvatting
.Ook mocht de minister afgaan op de inhoud van het onderzoek. De minister heeft de hoorplicht niet geschonden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Het bezwaar van eiser bevat twee gronden. Eiser voert ten eerste aan dat uit het onderzoek van Bureau Documenten blijkt dat de geboorteakte en het identiteitsbewijs op dezelfde datum zijn afgegeven. De conclusie van de minister dat het referentie- en vergelijkingsmateriaal niet gelijktijdig is opgemaakt en afgegeven is volgens eiser dan ook evident onjuist.
Zoals hiervoor onder 3.1. weergegeven heeft de minister deze conclusie niet getrokken in zijn besluit. Hoewel de rechtbank erkent dat de tekst van het primaire besluit wat verwarrend is, is dit onvoldoende om eiser te moeten horen in bezwaar. De minister heeft de verwarring verholpen met het bestreden besluit. De minister heeft in het verweerschrift nogmaals geprobeerd om uit te leggen hoe de conclusie gelezen moet worden. Ten tweede voert eiser in het bezwaarschrift aan dat de conclusie niet is onderbouwd door middel van het onderliggende referentie- en vergelijkingsmateriaal. Volgens eiser had de minister dit materiaal aan hem beschikbaar moeten stellen. Zoals in deze uitspraak is overwogen onder 5.3. had de minister het materiaal niet aan eiser beschikbaar hoeven stellen. Wat eiser daarover heeft aangevoerd had niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De minister heeft daarom mogen afzien van het horen van eiser in bezwaar.