Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De samenvatting
2.De procedure
- het verzoekschrift van werknemer, met bijlagen;
- het verweerschrift van werkgever, met bijlagen;
- de brief van werkgever van 29 april 2026 met een bijlage.
Rechtbank Rotterdam
Werknemer was sinds 2023 in dienst als administrateur bij werkgever en werd op 21 november 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeend disfunctioneren en nalatigheid. Werkgever stelde dat werknemer herhaaldelijk fouten maakte en niet tijdig een belangrijke bestelling plaatste, wat tot een mogelijke schadeclaim leidde.
De kantonrechter oordeelde dat er geen dringende reden was voor ontslag op staande voet. Er was onvoldoende bewijs dat werknemer bewust nalatig was en er was geen duidelijk verbetertraject met werknemer afgesproken. De ontslagbrief en verslagen van eerdere gesprekken boden geen plan om het functioneren te verbeteren, en werknemer was niet ondubbelzinnig geïnformeerd over de ernst van de situatie.
Werknemer vroeg geen vernietiging van het ontslag, maar vergoedingen. De kantonrechter veroordeelde werkgever tot betaling van een vergoeding voor onregelmatige opzegging (€6.071,72), transitievergoeding (€4.153,93) en een billijke vergoeding van vier maandsalarissen (€17.000,00), totaal €27.225,65 bruto, plus rente en proceskosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig verklaard en werkgever is veroordeeld tot betaling van vergoedingen en proceskosten.