Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 17 april 2026, met bijlagen;
- de akte met bijlagen van Werkgever;
- de spreekaantekeningen van mr. Bongaards.
2.Het geschil
- Werkgever te veroordelen aan Werknemer te betalen het achterstallige loon van 12 december 2025 tot en met 31 maart 2026 zijnde € 17.109,39 bruto, verhoogd met 8% vakantiebijslag;
- de wettelijke verhoging over € 17.109,39;
- de wettelijke rente over de voornoemde bedragen;
- Werkgever te veroordelen aan Werknemer te betalen het achterstallige loon van 12 december 2025 tot en met 30 januari 2026 zijnde € 9.037 bruto vermeerderd met 8% vakantiebijslag;
- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over het bedrag van € 9.037,- bruto;
- de wettelijke rente over de voornoemde bedragen;
- Werkgever te veroordelen aan Werknemer te betalen € 946,09 aan buitengerechtelijke kosten;
- Werkgever te veroordelen in de proceskosten;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.De zaak in het kort
4.De beoordeling
daarnavolledig kan richten op herstel en rust. Ook wat betreft het in contact blijven, blijkt uit het advies van de bedrijfsarts dat het de bedoeling is dat die momenten plaatsvinden gedurende de periode van rust. Het gaat hier immers niet om een werkverplichting maar om contactmomenten.