ECLI:NL:RBROT:2026:6220

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
11953983 CV EXPL 25-23903
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:634 BWArt. 7:640a BWArt. 7:641 lid 1 BWArt. 7:645 BWArt. 28 lid 2 sub a CAO Afbouw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitbetaling niet-genoten vakantiedagen na einde dienstverband ondanks ziekte en vaststellingsovereenkomst

De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelt een geschil tussen een werknemer en zijn voormalige werkgever over de uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen en ATV-dagen na beëindiging van het dienstverband. De werknemer was sinds 1989 in dienst en langdurig ziek vanaf december 2022. Na twee jaar ziekte eindigde de loondoorbetalingsverplichting en werd het dienstverband per 1 mei 2025 beëindigd via een vaststellingsovereenkomst.

De werknemer vordert betaling van het resterende verlofsaldo, inclusief vakantiegeld, wettelijke verhoging, rente en incassokosten. De werkgever stelt dat finale kwijting is verleend en dat er geen resterend verloftegoed is, mede omdat tijdens ziekte geen ATV-dagen worden opgebouwd en de wettelijke vakantiedagen over 2023 zijn vervallen.

De kantonrechter oordeelt dat er geen finale kwijting is verleend voor het resterende verloftegoed, omdat de vaststellingsovereenkomst expliciet uitbetaling daarvan voorschrijft en partijen hierover van mening verschillen. Verder kan uit stilzwijgen geen afstand van vakantierechten worden afgeleid vanwege dwingend recht. De opbouw van ATV-dagen in 2022 wordt vastgesteld op 10, omdat de ziekteperioden niet aaneengesloten waren. Over 2023 vervallen wettelijke vakantiedagen niet, omdat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat zij de werknemer tijdig en concreet heeft geïnformeerd over verval. De opbouw van vakantiedagen tijdens het slapend dienstverband vanaf december 2024 wordt aangehouden vanwege een prejudiciële vraag bij de Hoge Raad.

De kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten over enkele punten, waaronder het aantal opgenomen verlofdagen in de zomer van 2022 en de betekenis van een post op de loonstrook van december 2024. De verdere beslissing wordt aangehouden tot na deze schriftelijke rondes.

Uitkomst: De beslissing over de uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen wordt aangehouden en partijen krijgen gelegenheid tot nadere schriftelijke toelichting.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11953983 CV EXPL 25-23903
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.J. Schroevers,
tegen
Vloertechniek B.V.,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.A.C. Backx.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘Vloertechniek’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 23 oktober 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de spreekaantekeningen van [eiseres] ;
  • de spreekaantekeningen van Vloertechniek.
1.2.
Op 21 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiseres] aanwezig met zijn zoon de heer [persoon A] en bijgestaan door mr. M.J. Schroevers. Namens Vloertechniek waren aanwezig de heer [persoon B] (indirect eigenaar/directeur) en de heer [persoon C] (hoofd administratie), bijgestaan door mr. M.A.C. Backx.

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[eiseres] werkte sinds 1989 bij Vloertechniek als betonstorter. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Afbouw (hierna: ‘de CAO’) van toepassing. Vanaf 10 december 2022 is [eiseres] ziek geweest. Nadat [eiseres] twee jaar ziek was, is er op 10 december 2024 een einde gekomen aan de loondoorbetalingsverplichting van Vloertechniek. Op 22 april 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarmee het dienstverband van [eiseres] bij Vloertechniek met wederzijds goedvinden per 1 mei 2025 is beëindigd. Volgens [eiseres] moet Vloertechniek op grond van die vaststellingsovereenkomst het aan het einde van de arbeidsovereenkomst resterende verlofsaldo, oftewel de niet-genoten vakantiedagen en ATV-dagen, nog aan hem uitbetalen. In deze procedure eist [eiseres] dat voor recht wordt verklaard dat Vloertechniek de vaststellingsovereenkomst moet nakomen en dat Vloertechniek wordt veroordeeld het loon inclusief vakantiegeld over 43,33 vakantiedagen en 10 ATV-dagen, met wettelijke verhoging, rente en buitengerechtelijke incassokosten aan haar te betalen en een deugdelijke betalingsspecificatie van al die bedragen te verstrekken.
2.2.
Vloertechniek is het niet eens met de eis van [eiseres] . Zij voert primair aan dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op uitbetaling van niet-genoten vakantie- en ATV-dagen, omdat partijen in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting zijn overeengekomen. Subsidiair voert Vloertechniek aan dat er geen sprake is van resterende vakantie- en ATV-dagen. Volgens Vloertechniek heeft [eiseres] vóór het aangaan van de vaststellingsovereenkomst nooit eerder bezwaar gemaakt tegen de verlofadministratie, in het bijzonder tegen de jaarlijks verstrekte verlof- en verzuimkaarten. Daarnaast stelt Vloertechniek dat op grond van de CAO tijdens ziekte geen ATV-dagen worden opgebouwd. Vloertechniek vindt dat zij niets meer aan [eiseres] hoeft te betalen, ook geen rente, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke verhoging. Voor het geval geoordeeld wordt dat zij de wettelijke verhoging wel verschuldigd is, verzoekt Vloertechniek die te matigen.
2.3.
De kantonrechter neemt op dit moment nog geen eindbeslissing. Partijen mogen zich namelijk nog schriftelijk over enkele punten uitlaten. Hierna wordt dat verder uitgelegd.
Er is geen finale kwijting verleend voor het resterende verloftegoed
2.4.
In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen in artikel 3 de Pro volgende afspraken opgenomen:
“Werkgever zal binnen 1 maand na de Einddatum een eindafrekening opstellen en aan
werknemer uitbetalen terzake van de bedragen die in verband met de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst nog verschuldigd zijn aan werknemer. Deze eindafrekening betreft onder meer het vakantiegeld naar rato tot 10 december 2024 en de uitbetaling in loon
inclusief vakantiegeld van het op de Einddatum resterende verloftegoed. Werknemer
ontvangt tegelijkertijd met de uitbetaling van de eindafrekening een deugdelijke
betalingsspecificatie daarvan.”
Verder is in artikel 6.4 van de vaststellingsovereenkomst onder meer het volgende opgenomen:
“(…) Partijen verlenen elkaar, na effectuering van hetgeen in deze overeenkomst is bepaald, over en weer algehele finale kwijting.”
2.5.
Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst ook overeengekomen dat Vloertechniek een nabetaling van € 14.590,14 bruto aan [eiseres] zou doen. Dat betrof achterstallig loon. Vloertechniek heeft uitgelegd dat daarin geen niet-genoten vakantie- of ATV-dagen zijn meegenomen. Omdat het resterende verloftegoed niet met het hiervoor genoemde bedrag is uitbetaald, valt niet in te zien waarop Vloertechniek haar stelling baseert dat er finale kwijting voor de niet genoten vakantie- en ATV-dagen is verleend. In artikel 3 is Pro immers expliciet opgenomen dat uitbetaling van het eventuele verloftegoed juist nog moest plaatsvinden. Pas nádat die uitbetaling heeft plaatsgevonden verlenen partijen elkaar, zoals opgenomen in artikel 6.4 van de vaststellingsovereenkomst, over en weer finale kwijting. Daarvan is echter geen sprake. Partijen staan immers lijnrecht tegenover elkaar voor wat betreft de vraag of er sprake was van een resterend verlofsaldo aan het einde van het dienstverband van [eiseres] . Naar het oordeel van de kantonrechter is er dan ook geen finale kwijting verleend voor het resterende verloftegoed.
[eiseres] heeft geen afstand gedaan van zijn vakantierechten
2.6.
Vloertechniek heeft aangevoerd dat er aan het einde van het dienstverband van [eiseres] geen sprake was van een resterend verloftegoed. Volgens Vloertechniek heeft [eiseres] , voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst, nooit enig bezwaar gemaakt tegen de verlofadministratie en de door Vloertechniek jaarlijks verstrekte verlof- en verzuimkaarten. Vloertechniek stelt zich op het standpunt dat [eiseres] met dat stilzwijgen de juistheid van de verlofadministratie heeft geaccepteerd.
2.7.
Los van de vraag of er wel of geen resterend verloftegoed is, volgt de kantonrechter Vloertechniek niet in haar stelling dat [eiseres] , door geen bezwaar te maken tegen de verlofadministratie, afstand zou hebben gedaan van zijn vakantierechten. Op grond van artikel 7:634 BW Pro verwerft een werknemer over ieder jaar, waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week. In artikel 23 van Pro de CAO is in aansluiting daarop bepaald dat een werknemer van 18 jaar of ouder recht heeft op 25 vakantiedagen per jaar. Van dat recht op vakantie kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken (artikel 7:645 BW Pro). Omdat er sprake is van dwingend recht kunnen werkgever en werknemer dus niet rechtsgeldig afspreken dat de werknemer afstand doet van het recht op vakantie. Om diezelfde reden kan uit het enkele stilzwijgen van [eiseres] niet worden afgeleid dat hij daarmee afstand heeft gedaan van zijn vakantierechten, althans van eventueel resterend verloftegoed.
Is er sprake van een resterend verloftegoed?
2.8.
Omdat er in de vaststellingsovereenkomst geen finale kwijting voor het resterende verloftegoed is verleend en [eiseres] daar ook niet op een andere manier afstand van heeft gedaan, moet vervolgens worden beoordeeld of er nog sprake is van niet-genoten vakantie- en/of ATV-dagen, die nog door Vloertechniek aan [eiseres] moeten worden uitbetaald.
2.9.
Als uitgangspunt geldt dat de stelplicht en bewijslast van het tegoed aan vakantiedagen (als bedoeld in artikel 7:641 lid 1 BW Pro) op de werknemer rusten, maar dat de werkgever bij betwisting van het door de werknemer gestelde tegoed, zijn betwisting in beginsel zal moeten motiveren aan de hand van de uit de administratie blijkende gegevens die door de werkgever in het geding moeten worden gebracht [1] .
2.10.
[eiseres] heeft in de dagvaarding voldoende gesteld ter onderbouwing van zijn standpunt dat niet het volledige verloftegoed is uitbetaald. Daarbij heeft hij de voorafgaand aan deze procedure door partijen gevoerde correspondentie in het geding gebracht, inclusief de door Vloertechniek bijgehouden verlofadministratie, bestaande uit de verlof- en verzuimkaarten van de jaren 2022 tot en met 2024. Die gegevens zullen dan ook als uitgangpunt worden genomen bij de vraag of er sprake is van een resterend verloftegoed en, zo ja, hoe hoog dat tegoed is. Omdat [eiseres] aanspraak maakt op uitbetaling van verlofdagen vanaf 2022 tot en met het einde van zijn dienstverband zal hierna per jaar afzonderlijk op het verlofsaldo ingegaan worden.
(i)
het verlofsaldo over 2022
2.11.
Partijen zijn het er over eens dat er per 1 januari 2022 nog sprake was van 15 wettelijke en 5 bovenwettelijke niet genoten- vakantiedagen over het jaar 2021. Dat volgt ook uit de verlof- en verzuimkaart over 2022. Verder bestaat er geen discussie over het feit dat [eiseres] in 2022 (op grond van artikel 23 van Pro de CAO) 25 vakantiedagen heeft opgebouwd.
2.12.
Partijen verschillen wel van mening over het aantal in 2022 opgebouwde ATV-dagen. In artikel 28 lid 2 van Pro de CAO is daarover – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“a. De werknemer (…) bouwt gedurende de eerste vijftig weken per kalenderjaar per vijf weken één roostervrije dag op.
(…)
c. Er is geen opbouw in de periode van vijf weken wanneer de werknemer in die periode geheel ziek is.”
[eiseres] stelt dat hij over 2022 recht heeft op 10 ATV-dagen. Volgens Vloertechniek zijn er in 2022 slechts 9 ATV-dagen opgebouwd, omdat [eiseres] in 2022 in totaal een periode van meer dan 5 weken ziek is geweest. In dat verband heeft Vloertechniek onweersproken gesteld dat [eiseres] zowel in maart als in september 2022 een week ziek is geweest, net als in de periode van 10 tot en met 31 december 2022. De discussie tussen partijen spitst zich op dit punt met name toe op de vraag of het bij de in artikel 28 lid 2 sub c van Pro de CAO genoemde periode moet gaan om een aaneengesloten periode van 5 weken, waarin de werknemer ziek is. Daarbij geldt dat voor de uitleg van een CAO-bepaling in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO, van doorslaggevende betekenis zijn.
2.13.
Uitgaande van de tekst van artikel 28 lid 2 sub c in Pro combinatie met lid 2 sub a van datzelfde artikel is de kantonrechter van oordeel dat lid 2 sub c zo moet worden gelezen dat het moet gaan om een aaneengesloten periode van 5 weken, waarin de werknemer ziek is. De meest logische uitleg van artikel 28 lid 2 sub a is Pro namelijk dat voor het berekenen van de opbouw van ATV-dagen in een kalenderjaar– te weten één ATV-dag per 5 weken, oftewel 10 ATV-dagen per 50 weken – uitgegaan moet worden van een aaneengesloten periode van 5 weken. Een andere uitleg van dat artikellid ligt, alleen al uit praktisch oogpunt, niet voor de hand en daarvoor ziet de kantonrechter in de tekst van de bepaling ook geen aanknopingspunten. In lid 2 sub c van hetzelfde artikel uit de CAO wordt expliciet verwezen naar diezelfde periode van 5 weken als bedoeld in lid 2 sub a. Gelet daarop is de kantonrechter dan ook van oordeel dat ook de in lid 2 sub c genoemde periode van 5 weken, waarin de werknemer ziek is, een aaneengesloten periode moet zijn.
2.14.
Voldoende gebleken is weliswaar dat [eiseres] in het kalenderjaar 2022 in totaal (meer dan) 5 weken ziek is geweest, maar dat het daarbij niet gaat om een aaneengesloten periode van 5 weken. [eiseres] is immers zowel in maart, september als in december 2022 telkens voor periodes van korter dan 5 weken ziek geweest. Dat betekent dat de uitzondering van artikel 28 lid 2 sub c van Pro de CAO in dit geval niet van toepassing is. Om die reden heeft [eiseres] over 2022 op grond van artikel 28 lid 2 sub a van Pro de CAO recht op 10 ATV-dagen.
2.15.
Het bovenstaande betekent dat [eiseres] in 2022 in totaal aanspraak kon maken op 45 vakantiedagen (20 vakantiedagen uit 2021 en 25 uit 2022) en 10 ATV-dagen, oftewel in totaal 55 verlofdagen. Om het verlofsaldo over 2022 te kunnen vaststellen moet vervolgens beoordeeld worden hoeveel dagen [eiseres] in 2022 daadwerkelijk verlof heeft opgenomen. Uit de dagvaarding en hetgeen [eiseres] ter zitting heeft verklaard kan worden afgeleid dat [eiseres] het standpunt inneemt dat hij dat dat jaar in totaal 43 verlofdagen heeft opgenomen. Volgens [eiseres] bestaat dat uit een periode van 13 dagen na Pasen en 6 weken (oftewel 30 dagen) vakantie in de zomer. Vloertechniek daarentegen voert aan dat [eiseres] in totaal 53 verlofdagen heeft opgenomen, bestaande uit de genoemde 13 dagen na Pasen, een periode van 5 dagen in januari 2022 en 7 weken (oftewel 35 dagen) vakantie in de zomer.
2.16.
Voor wat betreft de periode van 5 dagen in januari 2022 heeft Vloertechniek ter zitting gesteld dat het daarbij gaat om door de CAO toegestane periode van verplichte sluiting van de onderneming – door Vloertechniek de wintersluiting genoemd –, waarvoor de werknemer (verplicht) verlof moet opnemen. [eiseres] heeft betwist dat er in januari 2022 sprake was van verplichte sluiting en stelt dat de genoemde periode van 5 dagen dan ook niet als door hem opgenomen verlof kan worden aangemerkt. Vloertechniek heeft verder niet gesteld of onderbouwd welk artikel van de CAO de werkgever de bevoegdheid geeft de onderneming gedurende een nader te bepalen periode te sluiten en de werknemer te verplichten voor die periode verlof op te nemen. Uit artikel 27 van Pro de CAO, dat (onder andere) ziet op verplichte verlofdagen, kan een dergelijke bevoegdheid naar het oordeel van de kantonrechter in elk geval niet worden afgeleid. In dat artikel wordt weliswaar gesproken van een wintersluiting, maar die ziet op de periode tussen Kerstmis en Nieuwjaar en níet op de maand januari. Omdat niet gebleken is dat de genoemde 5 dagen in januari 2022 als verplichte verlofdagen gelden en Vloertechniek niet betwist heeft dat [eiseres] voor die periode zelf geen verlof heeft aangevraagd, kunnen deze 5 dagen in januari 2022 niet als genoten verlofdagen worden aangemerkt.
2.17.
Verder heeft Vloertechniek aangevoerd dat [eiseres] in de zomer van 2022 niet 6, maar 7 weken vakantie heeft opgenomen. Dat is door [eiseres] uitdrukkelijk betwist. Vloertechniek heeft ter zitting uitgelegd dat zij haar stelling nader kan onderbouwen door middel van het overleggen van een verlofoverzicht. Omdat het voor het vaststellen van de hoogte van het resterende verloftegoed van belang is dat duidelijk wordt hoeveel verlofdagen [eiseres] in de zomer van 2022 heeft opgenomen zal Vloertechniek in de gelegenheid worden gesteld haar standpunt, dat [eiseres] in die periode 7 weken (oftewel 35 dagen) verlof heeft opgenomen, nader te onderbouwen, op de wijze zoals hierna bij 2.28. en 2.29. vermeld.
(ii)
het verlofsaldo over 2023
2.18.
Partijen zijn het er over eens dat [eiseres] in 2023 – net als in 2022 – 25 vakantiedagen (waarvan 20 wettelijk en 5 bovenwettelijk) heeft opgebouwd. Ook zijn ze het er over eens dat er in 2023 op grond van artikel 28 lid 2 sub c van Pro de CAO geen opbouw van ATV-dagen was, omdat [eiseres] gedurende het hele jaar 2023 ziek was.
2.19.
Tussen partijen bestaat geen discussie over het feit dat de 20 wettelijke en 5 bovenwettelijke vakantiedagen over 2023 niet door [eiseres] zijn opgenomen. Ten aanzien van de wettelijke vakantiedagen over 2023 stelt Vloertechniek zich echter op het standpunt dat die vakantiedagen zijn vervallen op grond van artikel 7:640a BW. Daarin is opgenomen dat de wettelijke vakantiedagen vervallen zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de dagen zijn verworven, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. De kantonrechter is het met Vloertechniek eens dat [eiseres] , ondanks zijn ziekte, in 2023 in elk geval in de gelegenheid was om vakantie op te nemen. [eiseres] heeft namelijk niet betwist dat er in 2023 sprake was van re-integratie in het tweede spoor en dat hij in dat kader de mogelijkheid had verlof op te nemen. Ter zitting heeft [eiseres] daarover uitgelegd dat hij, omdat zijn focus destijds volledig op zijn re-integratie lag, geen moment aan het opnemen van verlof heeft gedacht. In aansluiting daarop heeft [eiseres] aangevoerd dat Vloertechniek hem nooit heeft gewezen op het feit dat de wettelijke vakantiedagen van 2023 dreigden te vervallen.
2.20.
Als uitgangspunt geldt dat een werkgever, gelet op het verplichte karakter van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gehouden is om er concreet en in alle transparantie voor te zorgen dat de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen, en hem er zo nodig formeel toe aan te zetten dat te doen. Daarbij moet hij de werknemer erover informeren ‒ op precieze wijze en tijdig ‒ dat hij de vakantie die aan het einde van de referentieperiode of van een toegestane overdrachtsperiode niet is opgenomen, verliest [2] . De bewijslast op dit punt rust op de werkgever.
2.21.
Vloertechniek heeft er op gewezen dat [eiseres] zelf op de verlof- en verzuimkaart had kunnen zien wat de vervaltermijnen van zijn vakantiedagen waren en dat ook in de CAO had kunnen lezen. Daarmee heeft Vloertechniek echter nog niet aan de hiervoor genoemde informatieplicht voldaan. In dat kader kan een werkgever naar het oordeel van de kantonrechter namelijk niet volstaan met een enkele verwijzing naar jaarlijks verstrekte (standaard)verlofoverzichten, waarin de werknemer zelf kan nagaan welke vakantie-aanspraken hij nog heeft en wanneer hij deze aanspraken verliest [3] .
2.22.
Aangenomen wordt dat de informatieverplichting een actieve inspanningsverplichting is, in die zin dat verwacht mag worden dat de werkgever zijn werknemers periodiek (minimaal eenmaal per jaar) schriftelijk én individueel informeert over nog openstaande minimumvakantiedagen en over de daarvoor geldende verval- en verjaringstermijn, met daarbij de nadrukkelijke aansporing om de minimumvakantiedagen tijdig op te nemen. Vloertechniek heeft ter zitting verklaard dat zij [eiseres] er in de loop der jaren ‘meerdere malen’ op heeft gewezen dat zijn wettelijke vakantiedagen dreigden te vervallen. Naast het feit dat [eiseres] dat betwist heeft, heeft Vloertechniek verder niet toegelicht wanneer zij [eiseres] concreet over het verval van de wettelijke vakantiedagen heeft gesproken en over welke wettelijke vakantiedagen dat precies ging. Vloertechniek heeft dan ook onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat zij [eiseres] daadwerkelijk op precieze wijze en tijdig geïnformeerd heeft over het dreigend verval van zijn wettelijke vakantiedagen over 2023. Daarmee is niet gebleken dat Vloertechniek aan haar informatieplicht heeft voldaan. Dat brengt met zich mee dat Vloertechniek zich in de gegeven omstandigheden niet kan beroepen op het verval van de 20 wettelijke vakantiedagen van [eiseres] over 2023.
(iii)
het verlofsaldo over 2024
2.23.
Vast staat dat [eiseres] ook over 2024 weer 25 vakantiedagen heeft opgebouwd. [eiseres] stelt dat hij in 2024 in totaal 30 vakantiedagen heeft opgenomen. Vloertechniek heeft dat niet betwist.
2.24.
Vloertechniek heeft ter zitting voor het eerst aangevoerd dat zij eind december 2024 al 3 verlofdagen aan [eiseres] zou hebben uitbetaald. Volgens Vloertechniek volgt dat ook uit de inhoud van de loonstrook van december 2024. [eiseres] heeft nog niet op deze stelling kunnen reageren. Zij zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld, op de wijze zoals hierna bij 2.28. en 2.29. vermeld.
2.25.
De kantonrechter constateert daarnaast dat op de hiervoor genoemde loonstrook van december 2024, geheel onderaan onder het kopje ‘totalen tot en met deze periode’ een post ‘Betaald verlof -480’ is opgenomen. Vooralsnog is niet duidelijk wat hier precies mee bedoeld wordt en ook niet of dit van invloed is op het totale resterende verloftegoed van [eiseres] . Omdat dit punt ter zitting niet aan de orde is gekomen wordt Vloertechniek in de gelegenheid gesteld hierop een nadere schriftelijke toelichting te geven.
(iv)
Het verlofsaldo over 2025
2.26.
[eiseres] maakt ook aanspraak op uitbetaling van de vanaf 10 december 2024 tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst (1 mei 2025) opgebouwde vakantiedagen. Vast staat dat er op 10 december 2024 een einde is gekomen aan de loondoorbetalingsverplichting van Vloertechniek, omdat [eiseres] op dat moment twee jaar arbeidsongeschikt was. In de periode van 10 december 2024 tot 1 mei 2025 was daardoor sprake van een slapend dienstverband. Vloertechniek betwist dat tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen worden opgebouwd.
2.27.
Over het antwoord op de vraag of een werknemer tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen opbouwt heerst zowel in de jurisprudentie als in de literatuur verdeeldheid. Om hierover duidelijkheid te verkrijgen, is inmiddels is een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd [4] . De Hoge Raad heeft deze prejudiciële vraag tot op heden nog niet beantwoord. Gelet daarop zal de kantonrechter uit praktische overwegingen de beslissing op dit punt aanhouden totdat er eindvonnis zal worden gewezen.
Het vervolg van de zaak
2.28.
Voordat er eindvonnis gewezen zal worden, stelt de kantonrechter partijen gelijktijdig in de gelegenheid zich op de hierna bij de beslissing genoemde rolzitting schriftelijk – en uitsluitend – uit te laten over de punten, zoals hiervoor bij 2.17., 2.24. en 2.25. vermeld.
2.29.
Van Vloertechniek wordt daarbij in elk geval verwacht dat zij haar standpunt dat [eiseres] in de zomer van 2022 niet 6, maar 7 weken verlof heeft opgenomen nader onderbouwt, zoveel mogelijk aan de hand van uit de administratie blijkende gegevens en stukken. Daarnaast dient Vloertechniek nader toe te lichten wat in de loonstrook van december 2024 wordt bedoeld met de post ‘Betaald verlof -480’. [eiseres] mag nog reageren op de stelling van Vloertechniek dat zij eind december 2024 al 3 verlofdagen aan [eiseres] zou hebben uitbetaald.
2.30.
Nadat partijen zich bij akte over de hierboven genoemde punten hebben uitgelaten, krijgen zij nog de gelegenheid op elkaars akte te reageren.
2.31.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
donderdag 18 juni 2026 om 11.30 uuren stelt partijen in de gelegenheid op die rolzitting een akte in te dienen, zoals hiervoor bij 2.28. en 2.29. vermeld;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.Hoge Raad 12 september 2003, JAR 2003/243 (Roodzant/Matthews & Brothers BV)
2.Hof van Justitie van de Europese Unie 6 november 2018, zaak C-684/16, ECLI:EU:C:2018:874 (Max-Planck-Gesellschaft)
3.I. Arts, noot bij Gerechtshof Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2386,
4.Rechtbank Rotterdam 17 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2603