Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[bedrijf J],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vraagt de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam de Hoge Raad om een prejudiciële vraag te beantwoorden over de opbouw van vakantiedagen tijdens een slapend dienstverband bij arbeidsongeschiktheid. Het gaat om de periode na afloop van de loondoorbetalingsverplichting van twee jaar, waarin het dienstverband formeel voortduurt, maar de werknemer geen loon ontvangt en geen re-integratieverplichtingen heeft.
De werkneemster vordert uitbetaling van vakantiedagen die zij tijdens deze slapende periode heeft opgebouwd. De kantonrechter wijst erop dat deze vraag van groot belang is voor een veelheid aan vergelijkbare zaken, omdat slapende dienstverbanden vaak voorkomen na twee jaar ziekte, mede door de noodzakelijke procedures bij het UWV en opzegtermijnen.
Er is in de rechtspraak en literatuur verdeeldheid over deze vraag, met verschillende uitspraken van kantonrechters die uiteenlopen. Partijen hebben ingestemd met het stellen van de prejudiciële vraag en de procedure bij de rechtbank wordt voortgezet wat betreft bewijslevering over het dienstverband. De kantonrechter houdt de beslissing over de vakantiedagen aan totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: De beslissing over de vakantiedagen wordt aangehouden totdat de Hoge Raad de prejudiciële vraag heeft beantwoord.