ECLI:NL:RBROT:2026:7654

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/10654
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:31 AwbArt. 6.7 WhtArt. 2.1 WhtArt. 2.6 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieaanvraag kinderopvangtoeslag 2015 wegens ontbreken vooringenomenheid en hardheid

Eiseres heeft een compensatieaanvraag ingediend op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2013, 2014 en 2015, welke door de Dienst Toeslagen is afgewezen. Zij stelt dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld en dat sprake is van hardheid van het wettelijke systeem, en betwist dat alle relevante stukken zijn overgelegd.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen de aanvraag terecht heeft afgewezen. Over 2015 is de kinderopvangtoeslag verlaagd vanwege reguliere wijzigingen en terugvorderingen die niet wijzen op vooringenomenheid. Hoewel de Dienst Toeslagen een deel van de stukken niet tijdig heeft overgelegd, leidt dit slechts tot een proceskostenvergoeding aan eiseres.

De rechtbank concludeert dat de terugvorderingen terecht waren en dat eiseres geen schade aannemelijk heeft gemaakt die compensatie rechtvaardigt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de Dienst Toeslagen wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten wegens schending van de informatieverplichtingen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de compensatieaanvraag over 2015.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10654

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag over het jaar 2015. Volgens haar heeft de Dienst Toeslagen over 2015 vooringenomen gehandeld, dan wel is er sprake van hardheid van het wettelijke systeem. Daarnaast is eiseres van mening dat de Dienst Toeslagen onvoldoende stukken heeft overgelegd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres over het jaar 2015 terecht heeft afgewezen
.

Procesverloop

2. Met twee besluiten van 25 oktober 2022 (de primaire besluiten) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2013, 2014 en 2015 afgewezen.
2.1.
Met een besluit van 28 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft op 14 mei 2025, 29 september 2025 en 25 februari 2026 nadere gronden ingediend. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de Dienst Toeslagen in de gelegenheid gesteld een aantal vragen van de rechtbank schriftelijk te beantwoorden en aanvullende stukken in te dienen. De Dienst Toeslagen heeft dit gedaan op 24 maart 2026. Eiseres heeft op 7 april 2026 een schriftelijke reactie ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 18 mei 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft drie kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2011, [geboortedatum 2] 2017 en [geboortedatum 3] 2021. Ze heeft op 25 februari 2021 een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2013, 2014 en 2015.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met de primaire besluiten heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2013, 2014 en 2015 beoordeeld en de aanvraag om compensatie afgewezen. Aan de primaire besluiten ligt het volgende ten grondslag. Over de jaren 2013 en 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag niet verlaagd. Er is daarom geen sprake van vooringenomen handelen. Over het jaar 2015 is de kinderopvangtoeslag wel verlaagd, maar dit is het gevolg geweest van informatie van de kinderopvanginstelling. In 2015 is een bedrag van € 344,- te veel uitbetaald. Dit bedrag is teruggevorderd van eiseres. De verlaging en de terugvordering leiden niet tot de conclusie dat er in het geval van eiseres sprake is van hardheid.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
5. Eiseres voert aan dat de stukken die zien op het onderzoek naar de O/GS-kwalificatie en de registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en door de Dienst Toeslagen overgelegd hadden moeten worden. Zij verwijst daarvoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. [1] Daarnaast stelt eiseres dat het persoonlijk dossier en het document ‘afgehandelde zaken’ ten onrechte niet zijn overgelegd. Zonder het persoonlijk dossier kan niet goed tot herstel worden gekomen van het leed dat eiseres heeft ondervonden.
5.1.
Hoewel op zichzelf begrijpelijk is dat eiseres zoveel mogelijk inzicht wenst in wat er is gebeurd en daarom graag inzage heeft in zoveel mogelijk stukken die op haar betrekking hebben, moet de rechtbank deze beroepsgrond toetsen aan de maatstaf van artikel 8:42 van Pro de Awb. Op grond van dat artikel is de Dienst Toeslagen verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Deze procedure heeft betrekking op de compensatie in het kader van de integrale beoordeling. De juistheid van de beoordeling van het recht op compensatie moet kunnen worden getoetst aan de hand van de stukken die daarop betrekking hebben. De Dienst Toeslagen moet daarom de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van een geschil daarover aan de bestuursrechter overleggen. [2]
5.2.
Ten aanzien van de stukken die zien op de O/GS-beoordeling overweegt de rechtbank het volgende. Voor toekenning van een O/GS-tegemoetkoming is vereist dat aan de aanvrager een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. [3] Om in aanmerking te komen voor een O/GS-tegemoetkoming, moet eiseres dus om een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling hebben verzocht. Eiseres heeft niet gesteld dat zij dat heeft gedaan. De stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling van de Dienst Toeslagen dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie, zijn daarom geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb.
5.3.
Verder geldt dat de Dienst Toeslagen de stukken over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2015 in het geding heeft gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. Uit het dossier blijkt echter niet door wie de betaling van het bedrag van € 1.205,- is gedaan op 19 februari 2016 (zie hierna, 7.2), hoewel dat wel relevant is voor de beoordeling. Pas uit de stukken die de Dienst Toeslagen na de zitting heeft overgelegd, is gebleken dat het de kinderopvanginstelling is geweest die het bedrag van € 1.205,- naar de Dienst Toeslagen heeft overgemaakt. In zoverre heeft de Dienst Toeslagen de verplichting van artikel 8:42 van Pro de Awb dus geschonden. De rechtbank bespreekt in 5.4 welke gevolgen zij daaraan verbindt. De rechtbank ziet voor het overige geen aanleiding voor het oordeel dat stukken die relevant zijn voor de beoordeling van het recht op compensatie, ontbreken. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt dat de stukken die volgens haar missen, zouden kunnen leiden tot een andere beoordeling. Bovendien heeft eiseres het ouderdossier in ieder geval in september 2025 al ontvangen. Voor zover eiseres van mening is dat stukken uit het ouderdossier op de zaak betrekking hebbende stukken zijn die de Dienst Toeslagen had moeten overleggen, dan lag het op haar weg om dit te onderbouwen en te specificeren om welke stukken het dan gaat. Dit was voor eiseres mogelijk, omdat zij reeds over het ouderdossier beschikt.
5.4.
De Dienst Toeslagen heeft dus niet (tijdig) voldaan aan de verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Aan die schending kan de rechtbank op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb de gevolgen verbinden die zij passend acht. De rechtbank ziet aanleiding om de Dienst Toeslagen vanwege deze schending te veroordelen tot vergoeding aan eiseres van de proceskosten in beroep en het griffierecht.
Had de Dienst Toeslagen een vooraankondiging moeten versturen?
6. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met artikel 6.7, eerste lid, van de Wht, omdat de Dienst Toeslagen geen vooraankondiging heeft gestuurd voorafgaand aan de besluitvorming over de integrale beoordeling. De verplichting om een vooraankondiging te sturen was voorheen opgenomen in artikel 3.2 van het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (het Besluit CAF).
6.1.
Op grond van artikel 6.7, eerste lid, van de Wht, zoals deze bepaling luidde op 25 oktober 2022 (de datum van de primaire besluiten), berekent de Dienst Toeslagen het voorlopige bedrag van de compensatie en informeert hij de aanvrager hierover schriftelijk door middel van een vooraankondiging. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht [4] volgt dat de verplichting om een vooraankondiging te doen alleen geldt als de Dienst Toeslagen voornemens is een compensatie toe te kennen. Het Besluit CAF bevatte in artikel 3.2 een met artikel 6.7, eerste lid, van de Wht vergelijkbare regeling. Per 15 juli 2023 is artikel 6.7, eerste lid, van de Wht gewijzigd. Sindsdien rust op de Dienst Toeslagen de verplichting om de aanvrager schriftelijk over de beslissing op een compensatieaanvraag te informeren door middel van een vooraankondiging, ook als de Dienst Toeslagen voornemens is de aanvraag af te wijzen. [5] Omdat de primaire besluiten zijn genomen vóór 15 juli 2023 en de Dienst Toeslagen hierbij de aanvraag heeft afgewezen, heeft de Dienst Toeslagen niet gehandeld in strijd met artikel 6.7, eerste lid, van de Wht (oud) door geen vooraankondiging te doen. [6]
Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie terecht afgewezen?
7. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte haar aanvraag om compensatie over 2015 heeft afgewezen op de grond dat geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid. Op 21 december 2015 heeft de Dienst Toeslagen een bedrag van € 1.205,- teruggevorderd van eiseres, terwijl de kinderopvangtoeslag aan de kinderopvanginstelling was uitbetaald. De Dienst Toeslagen heeft een deel van dit bedrag verrekend met de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2016. Hoewel eiseres het geld later alsnog heeft ontvangen van de Dienst Toeslagen, was zij door deze verrekening al in de financiële problemen gekomen. Vervolgens heeft de Dienst Toeslagen op 31 oktober 2016 nog een bedrag van € 343,- teruggevorderd van eiseres. Ook dit bedrag had van de kinderopvanginstelling moeten worden teruggevorderd, omdat de kinderopvangtoeslag aan de kinderopvanginstelling was uitbetaald.
7.1.
De Dienst Toeslagen kent, kort gezegd, op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem (a) bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen, of (b) de toepassing van de wet- en regelgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die werd gegeven aan het wettelijke systeem. [7]
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres terecht afgewezen. Ten aanzien van het toeslagjaar 2015 is de kinderopvangtoeslag eerst als voorschot vastgesteld op € 16.626,-, vervolgens verhoogd naar € 16.973,-, vervolgens verlaagd naar € 15.768 en vervolgens nogmaals verlaagd naar € 15.425,-. De eerste verlaging is het gevolg geweest van een wijziging in het aantal opvanguren en een wisseling van de kinderopvanginstelling. De tweede verlaging is het gevolg geweest van een gewijzigd toetsingsinkomen en een gewijzigd aantal opvanguren. Dit betreffen reguliere wijzigingen van het recht op kinderopvangtoeslag en het is daarom niet aannemelijk dat de wijzigingen het gevolg zijn geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. Voor compensatie wegens te harde toepassing van het wettelijk systeem bestaat evenmin aanleiding. Weliswaar had de Dienst Toeslagen het bedrag van € 1.205,- moeten terugvorderen bij de kinderopvanginstelling in plaats van bij eiseres, nu de kinderopvangtoeslag aan de kinderopvanginstelling was uitbetaald. Echter, niet aannemelijk is dat eiseres hierdoor schade heeft geleden, zoals artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht vereist. Voor het eerst op 16 februari 2016 heeft de Dienst Toeslagen een deel van het terugvorderingsbedrag (te weten € 459,-) verrekend met de kinderopvangtoeslag over toeslagjaar 2016. Vier dagen later, op 19 februari 2016, heeft de kinderopvanginstelling een bedrag van € 1.205,- naar de Dienst Toeslagen overgemaakt. Nog diezelfde dag heeft de Dienst Toeslagen het verrekende bedrag van € 459,- alsnog overgemaakt naar eiseres. Dat eiseres binnen vier dagen in financiële problemen is gekomen als gevolg van de verrekening van het bedrag van € 459,-, zoals zij heeft gesteld, is zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk. Voor de tweede terugvordering van € 343,- geldt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van hardheid. De enkele omstandigheid dat de kinderopvangtoeslag aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, maar van de ouder is teruggevorderd, is onvoldoende om van hardheid te kunnen spreken. De terugvordering van € 343,- hield verband met een wijziging van het toetsingsinkomen van eiseres en betrof dus een reguliere wijziging. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat in dat geval geen sprake is van hardheid, ook niet als het bedrag aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald en van de ouder is teruggevorderd. [8] Het betoog van eiseres stuit hierop al af.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen compensatie krijgt.
9. Gelet op de schending van artikel 8:42 van Pro de Awb, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie na de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1. De vergoeding bedraagt in totaal dus € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 51- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2990, r.o. 9. e.v.
3.Artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1397, r.o. 7. e.v.
7.Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
8.Kamerstukken II, 35151, 3, p. 71