ECLI:NL:RBROT:2026:8236

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/2866
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 6.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing te late aanvraag compensatie Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres diende op 27 september 2024 een aanvraag in voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), welke door de Dienst Toeslagen werd afgewezen wegens te late indiening. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 19 juni 2026 en oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij de aanvraag niet tijdig kon indienen of dat er bijzondere omstandigheden waren die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigden.

De rechtbank benadrukte dat de aanvraagtermijn tot 1 januari 2024 dwingend was vastgesteld en dat de wetgever een terughoudende toepassing van de hardheidsclausule beoogde. Hoewel het kabinet erkende dat schrijnende situaties een uitzondering kunnen vormen, vond de rechtbank dat de omstandigheden van eiseres, zoals haar persoonlijke moeilijkheden en negatieve verwachtingen, onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen.

De rechtbank nam mee dat de toeslagenaffaire breed in de media was besproken en dat de mogelijkheid tot aanmelding ruim onder de aandacht was gebracht. Eiseres had geen bewijs geleverd van eerdere pogingen tot aanmelding of psychische ongeschiktheid die haar belemmerde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar te late compensatieaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2866
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 27 september 2024 een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Met het besluit van 9 oktober 2024 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend.
1.2.
Met het besluit van 20 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 maart 2023 ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de Dienst Toeslagen op de zitting van 19 juni 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de heer [persoon A] en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen op de grond dat deze te laat is ingediend.
3. Een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, moest voor 1 januari 2024 zijn ingediend. [1] Deze aanvraagtermijn is door de wetgever dwingend geformuleerd. Een motie om de aanvraagtermijn te schrappen is door de Tweede Kamer verworpen. Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten.
4. Dat laat onverlet dat het kabinet wel van mening was dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. [2] Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [3] Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, is een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De rechtbank dient per concreet geval te toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen, de termijnoverschrijding verschoonbaar is. [4]
5. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiseres niet aannemelijk geworden dat eiseres de aanvraag niet voor het verstrijken van de aanvraagtermijn kon indienen en dat sprake was van bijzondere omstandigheden op basis waarvan de Dienst Toeslagen de termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten. De rechtbank acht daarvoor het volgende van belang. De toeslagenaffaire is veel in het nieuws geweest en de mogelijkheid om op grond van de Wht compensatie aan te vragen is veelvuldig en op verschillende manieren onder de aandacht van burgers gebracht, waarbij werd vermeld dat burgers zich tot 1 januari 2024 konden aanmelden via de website of telefoon. Bij het oordeel betrekt de rechtbank dat eiseres heeft aangevoerd dat eiseres een zekere gelatenheid en negatieve verwachting van de uitkomst van de integrale herbeoordeling had. Uiteindelijk heeft haar omgeving haar weten te overtuigen om alsnog een aanvraag tot een integrale herbeoordeling te doen. Het gaat hierbij, naar het oordeel van de rechtbank, meer om de verwachtingen van eiseres bij de uitkomst, dan om een bijzondere omstandigheid waardoor de aanvraag te laat is ingediend. Voor zover eiseres op de zitting heeft aangevoerd dat zij, gezien haar ervaringen met de Dienst Toeslagen, in 2023 psychisch niet in staat was om een aanvraag in te dienen, heeft zij dit niet nader met stukken onderbouwd. Dat eiseres alleenstaande moeder is, dat haar moeder in 2016 is overleden en dat bij haar in 2015 borstkanker is geconstateerd zijn omstandigheden die schrijnend en moeilijk zijn, maar die ver voor de aanmeldperiode lagen en om die reden niet maken dat de ruime termijnoverschrijding in de periode 2023-2024 verschoonbaar is.
6. Dat eiseres zich in 2023 zou hebben gemeld voor de integrale beoordeling, heeft eiseres niet onderbouwd. De Dienst Toeslagen heeft een uitdraai in het geding gebracht van de contactmomenten met eiseres. Hieruit volgt dat zij voor het eerst in september 2024 de aanvraag heeft gedaan. Eiseres heeft zelf ook geen telefoongegevens via haar provider kunnen achterhalen die een ander standpunt zouden onderbouwen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
2.Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023, kenmerk 2023-0000266331, pagina 3.
3.Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.
4.Vergelijk de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15271 en ECLI:NL:RBROT:2025:15272.