ECLI:NL:RBROT:2026:8769

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/4191
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 6:95 BWArt. 6:97 BWArt. 6:98 BWArt. 8:41a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvullende compensatie voor studievertraging door vooringenomen handelen Dienst Toeslagen

Eiseres, gedupeerde in de toeslagenaffaire, vordert aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen had aanvankelijk een bedrag toegekend, maar weigerde vergoeding voor verletdagen, reiskosten en studievertraging. De rechtbank beoordeelt dat eiseres studievertraging heeft geleden door het stopzetten en terugvorderen van kinderopvangtoeslag, wat haar studie en inkomen negatief beïnvloedde.

De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen het schadekader juist toepast voor verletdagen en reiskosten, maar onjuist voor studievertraging. Uit verklaringen en een opleidingsbeoordeling blijkt dat eiseres door de stopzetting van de toeslag minder opvang had, waardoor zij lessen miste en een negatief bindend studieadvies kreeg, wat studievertraging veroorzaakte.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het studievertraging betreft en begroot zelf de schade conform de Letselschade Richtlijn Studievertraging 2026. Eiseres krijgt een vergoeding van € 27.525,- voor inkomensschade en € 1.672,- aan collegegeld, vermeerderd met wettelijke rente en 1% aanvullende compensatie. Tevens worden griffierecht en proceskosten aan eiseres toegekend.

Uitkomst: De rechtbank kent eiseres aanvullende compensatie toe voor studievertraging en inkomensschade door onrechtmatige stopzetting van kinderopvangtoeslag.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4191

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Hoesenie),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de weigering om compensatie te verlenen voor verletdagen en reiskosten voor regelzaken en inkomensschade en extra studiekosten door studievertraging. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen het bedrag van de aanvullende compensatie onjuist heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres studievertraging opgelopen als gevolg van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen, waardoor zij schade heeft geleden.

Procesverloop

2. Met het besluit van 9 december 2022 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres € 13.130,- aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend op grond van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 15 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 9 december 2022 gegrond verklaard en de aanvullende compensatie tot € 17.358,- verhoogd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 3 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is gedupeerde in de toeslagenaffaire. Haar zoon is geboren op [geboortedatum] 2006. Van 2007 tot en met 2011 heeft eiseres kinderopvangtoeslag aangevraagd. Bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 is sprake geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft een bedrag van € 45.405,- compensatie aan eiseres toegekend voor de jaren 2007, 2010 en 2011, omdat de kinderopvangtoeslag voor die jaren op nihil is gesteld. Voor de jaren 2008 en 2009 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend omdat, ondanks dat er stopbrieven zijn verstuurd, de kinderopvangtoeslag nooit daadwerkelijk op nihil is gesteld.
3.1.
Op 27 september 2021 heeft eiseres een aanvraag gedaan om aanvullende compensatie voor haar werkelijke schade. Op 21 november 2022 heeft de Commissie Werkelijke Schade (CWS) aan de Dienst Toeslagen geadviseerd € 13.130,- aanvullende compensatie toe te kennen. Met het besluit van 9 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen dit advies gevolgd. Op 1 juli 2024 heeft de CWS een nieuwe versie van haar werkwijze en het schadekader gepubliceerd. Op 8 augustus 2024 heeft de CWS op verzoek van de Dienst Toeslagen nogmaals advies uitgebracht en geadviseerd geen hogere aanvullende compensatie voor werkelijke schade toe te kennen. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen de nieuwe versie van het schadekader toegepast, het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 9 december 2022 gegrond verklaard en de aanvullende compensatie tot € 17.358,- verhoogd.

Juridisch kader

4. Voor de beoordeling van het beroep is het volgende van belang. De Dienst Toeslagen kent aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die aannemelijk maakt dat de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het bedrag van de reeds toegekende compensatie. [1] Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. [2] De Dienst Toeslagen en dus ook de bestuursrechter moeten aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Dit brengt verder mee dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen de Dienst Toeslagen en de aanvrager in geschil is. [3] Bij de beoordeling van verzoeken tot compensatie van de werkelijke schade vraagt de Dienst Toeslagen de CWS om advies. [4] De CWS hanteert bij haar advies vaste richtlijnen, neergelegd in het document ‘Werkwijze en schadekader CWS’ (het schadekader). [5] Uit het schadekader volgt dat aan de CWS de opdracht is verstrekt om met toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht te beoordelen of de door de ouder werkelijk geleden schade hoger is dan de al ontvangen compensatie en hoeveel hoger deze schade is. Daarnaast moet die schade het gevolg zijn van het handelen van de Dienst Toeslagen. De aanvullende opdracht die hierbij is geformuleerd, is dat de CWS zo ruimhartig mogelijk te werk dient te gaan, zowel bij de vaststelling van het causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van de Dienst Toeslagen, als bij de begroting van de schade. [6] Dit betekent dat er geen hard bewijs van de ouder wordt gevraagd, maar dat de ouder het gestelde aannemelijk moet maken. [7] In het schadekader zijn forfaitaire bedragen opgenomen. Het voorgaande betekent, zoals volgt uit het schadekader, dat wanneer het verzoek van de ouder het forfaitaire bedrag voor een individuele (materiële) schadepost overstijgt, de ouder om meer onderbouwing gevraagd wordt om zijn/haar verhaal te onderbouwen, eventueel met schriftelijke stukken. In het kader van studievertraging is in het schadekader opgenomen dat de CWS voor het begroten van inkomensschade als gevolg van studievertraging gebruik wordt gemaakt van de bedragen uit de Richtlijn Studievertraging van de Letselschade Raad. [8]

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de vraag of de Dienst Toeslagen terecht de aanvullende compensatie heeft vastgesteld op € 17.358,-. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Had de Dienst Toeslagen een vergoeding moeten toekennen voor verletdagen en reiskosten voor regelzaken?
6. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor verletdagen en reiskosten voor regelzaken voor de jaren 2008 en 2009. In het schadekader is een forfaitaire vergoeding opgenomen voor regelzaken van € 300,- per toeslagjaar waarvoor compensatie is toegekend. Voor het voeren van een procedure tegen een terugvordering, onterechte lage vaststelling of stopzetting van de kinderopvangtoeslag waarvoor compensatie is toegekend, is een bedrag opgenomen van € 200,- per gevoerde procedure. Eiseres heeft recht op deze vergoedingen omdat zij voor de jaren 2008 en 2009 is aangemerkt als gedupeerde en omdat uit het dossier blijkt dat voor het jaar 2009 een beslissing op bezwaar is verstuurd.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen aan eiseres geen aanvullende compensatie hoeft toe te kennen voor verletdagen en reiskosten voor regelzaken voor de jaren 2008 en 2009. Zoals reeds onder 4 is overwogen, kent de Dienst Toeslagen aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toe overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht. De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat uit vermogensschade en ander nadeel. [9] Eiseres heeft niet betoogd dat zij met betrekking tot de stopbrieven die zijn verstuurd over de jaren 2008 en 2009 schade heeft geleden die bestaat uit vermogensschade of ander nadeel. Dat de Dienst Toeslagen een beslissing op bezwaar heeft genomen die betrekking had op de kinderopvangtoeslag over het jaar 2009, is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat aannemelijk is dat eiseres schade heeft geleden doordat zij een bezwaarschrift heeft ingediend. Daarom is niet aannemelijk geworden dat eiseres op grond van het civiele schadevergoedingsrecht in aanmerking komt voor een vergoeding voor regelzaken.
6.2.
Eiseres doet echter een beroep op het schadekader. Met het schadekader geeft de Dienst Toeslagen invulling aan het civiele schadevergoedingsrecht. Op grond van het schadekader hoeft eiseres niet aannemelijk te maken dat zij tijd kwijt is geweest aan de problemen met de kinderopvangtoeslagen en reiskosten heeft moeten maken en daardoor schade heeft geleden, maar wordt verondersteld dat deze schade er is als er compensatie is toegekend. Omdat het schadekader op dit onderdeel gunstiger is dan het civiele schadevergoedingsrecht, beoordeelt de rechtbank alleen of de Dienst Toeslagen het schadekader juist heeft toegepast. Eiseres is van mening dat zij recht heeft op de in het schadekader vermelde forfaitaire vergoedingen voor verletdagen en reiskosten voor regelzaken, omdat zij als gedupeerde is aangemerkt voor de jaren 2008 en 2009. Op grond van het schadekader worden deze vergoedingen alleen toegekend voor jaren waarvoor compensatie is toegekend. Eiseres is voor de jaren 2008 en 2009 weliswaar als gedupeerde aangemerkt omdat zij stopbrieven heeft ontvangen, maar heeft voor deze jaren geen compensatie toegekend gekregen, omdat de kinderopvangtoeslag nooit is stopgezet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Dienst Toeslagen het schadekader juist heeft toegepast op de situatie van eiseres. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de Dienst Toeslagen een vergoeding moeten toekennen voor extra studiekosten en inkomensschade door studievertraging?
7. Eiseres voert verder aan dat de Dienst Toeslagen haar verzoek om een vergoeding voor extra studiekosten en inkomensschade door studievertraging ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres is in september 2010 begonnen met de opleiding hbo-rechten. Op 24 december 2010 ontving zij een brief van de Dienst Toeslagen waarin stond dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2009 (stopbrief). Op 20 april 2011 is het voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011 herzien en op nihil gesteld. Omdat de kinderopvangtoeslag niet meer werd uitbetaald, kon eiseres de kinderopvang niet meer betalen. Voor kinderopvang had zij sindsdien geen structurele oplossing meer en was zij op familie aangewezen. Dit had tot gevolg dat zij lesuren heeft gemist en uiteindelijk een negatief bindend studieadvies (bsa) heeft gekregen, waardoor zij moest stoppen met de opleiding. Eiseres heeft zich vervolgens vanaf september 2011 ingeschreven voor de opleiding hbo sociaal juridische dienstverlening. In dit studiejaar werd de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 en 2010 teruggevorderd. De terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2011 werd in december 2011 verrekend met de huurtoeslag over het jaar 2012. Ook voor de opleiding hbo sociaal juridische dienstverlening heeft eiseres aan het einde van het studiejaar een negatief bsa gekregen, waardoor zij genoodzaakt was ook met deze opleiding te stoppen. Eiseres verzoekt om aanvullende compensatie voor studievertraging van één jaar. Zij betoogt dat voor studiejaar 2011/2012 de studiekosten, bestaande uit collegegeld en boeken, gecompenseerd moet worden. Verder betoogt eiseres dat zij voor de inkomensschade recht heeft op aanvullende compensatie ter hoogte van € 1.000,- per maand. Dit is het netto verschil tussen het gemiddelde startsalaris van een hbo-jurist en het inkomen van eiseres op bijstandsniveau. De vergoeding moet berekend worden over de periode vanaf 1 januari 2015, het jaar waarin eiseres zou beginnen met werken indien zij de opleiding hbo-rechten had afgerond, en 9 juni 2021, de dagtekening van de definitieve beschikking tot toekenning van compensatie. [10] De inkomensschade komt daarmee uit op een bedrag ter hoogte van € 77.000,-.
7.1.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op aanvullende compensatie voor inkomensschade en studiekosten omdat niet aannemelijk is geworden dat eiseres studievertraging heeft opgelopen. Eiseres heeft verklaard dat zij op 23 juni 2011 is gestopt met de opleiding hbo-rechten en parttime is gaan werken en dat zij op 1 september 2011 is begonnen met de opleiding hbo sociaal juridische dienstverlening. Nu eiseres aan het eind van het studiejaar is gestopt met de opleiding en na de zomer is begonnen met een andere opleiding, valt niet in te zien welke studievertraging heeft plaatsgevonden. Eiseres ontving van 2010 tot en met 2015 studiefinanciering en zij heeft in 2014 aan de Raad voor de Kinderbescherming verklaard dat zij verwacht om dat jaar af te studeren voor de opleiding hbo-rechten. Daaruit volgt dat zij tussen 2010 en 2015 studeerde en de opleiding hbo-rechten tot het laatste jaar heeft gevolgd en dus geen studievertraging heeft opgelopen. Uit een uitgebreide opleidingsbeoordeling van de opleiding hbo-rechten aan Hogeschool Inholland blijkt bovendien dat 54 procent van de eerstejaarsstudenten uitvalt waardoor niet zonder meer vaststaat dat de uitval van eiseres te wijten is aan de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Verder ging de zoon van eiseres vanaf december 2010 naar de basisschool, waardoor er minder opvanguren nodig waren. Ook heeft eiseres verklaard dat haar inkomen naar bijstandsniveau daalde, hetgeen niet duidt op het hebben van werk, en hebben de moeder en tante van eiseres verklaard dat zij ieder één dag per week hebben opgepast. Daarbij komt dat de vader ook oppaste totdat de relatie in 2012 werd verbroken.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank had de Dienst Toeslagen aanvullende compensatie moeten toekennen voor de schade die eiseres heeft opgelopen als gevolg van studievertraging. Uit een verklaring in verband met studievertragende omstandigheden van Hogeschool Inholland volgt dat eiseres voor de opleiding hbo-rechten in het studiejaar 2010/2011 en voor de opleiding hbo sociaal juridische dienstverlening in het studiejaar 2011/2012 de bsa-norm niet heeft behaald wegens persoonlijke omstandigheden. Dat eiseres studievertraging heeft opgelopen, staat daarmee vast. Dat eiseres aan de Raad voor de Kinderbescherming heeft verklaard dat zij in 2014 zou afstuderen aan de opleiding hbo-rechten, doet daar niet aan af. Het is namelijk voorstelbaar dat eiseres, zoals zij heeft gesteld, een rooskleuriger beeld heeft geschetst uit vrees voor ingrijpende maatregelen in de zorg voor haar zoon en het neemt niet weg dat zij in het eerste studiejaar de bsa-norm niet heeft gehaald.
7.3.
Nu vaststaat dat er sprake is van studievertraging moet, zoals onder 4 overwogen, op een zo ruimhartig mogelijke wijze worden beoordeeld of de schade door de studievertraging in zodanig verband staat met de stopzetting en terugvordering van de kinderopvangtoeslag dat die schade als gevolg van de studievertraging aan de Dienst Toeslagen kan worden toegerekend. Eiseres werd op 20 april 2011 geconfronteerd met een stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2011 en de aankondiging van de terugvordering. Hierdoor kon zij geen kinderopvang meer afnemen. Een logisch gevolg is dat eiseres hierdoor minder tijd kon besteden aan haar studie en lessen moest missen. Dat de zoon van eiseres vanaf december 2010 naar de basisschool ging waardoor er minder opvanguren nodig waren en dat familieleden waar mogelijk bereid waren om op te passen, maakt dit niet anders. De tijden waarop haar zoon naar de basisschool ging, zijn niet gelijk te trekken met de contactmomenten voor een voltijd hbo-opleiding. Weliswaar kan oppas door familie een uitkomst bieden, maar dit is geen structurele oplossing waar eiseres op kon rekenen. Het is daarom aannemelijk dat eiseres door het gebrek aan opvang niet altijd aan lesuren of tentamens kon deelnemen en zelfs genoodzaakt was haar zoon soms mee te nemen naar school. Daarbij komt dat, zoals uit het advies van de CWS van 21 november 2022 volgt, vanaf december 2011 uitvoering is gegeven aan de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag door middel van verrekening met de huurtoeslag over het jaar 2012, waardoor eiseres in ieder geval vanaf dat moment te maken kreeg met serieuze financiële moeilijkheden, wat niet bevorderlijk zal zijn geweest voor het concentratievermogen dat voor een studie nodig is. Met toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht is, met een ruimhartige toepassing bij de vaststelling van het causale verband en de toerekenbaarheid, naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres schade heeft geleden als gevolg van de studievertraging veroorzaakt door de stopzetting en terugvordering van de kinderopvangtoeslag door de Dienst Toeslagen en dat deze schade toerekenbaar is aan de Dienst Toeslagen. Een algemeen onderzoek waaruit blijkt dat 54 procent van de eerstejaarsstudenten uitvalt, is, mede gelet op de verklaring van de studieloopbaanbegeleider van eiseres over haar persoonlijke omstandigheden, onvoldoende om te twijfelen aan het causale verband en de toerekenbaarheid van de schade.
7.4.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin is beslist dat eiseres geen recht heeft op aanvullende compensatie voor inkomensschade en extra studiekosten als gevolg van studievertraging. Gelet op de verplichting het voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten, [11] voorziet de rechtbank zelf in de zaak met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank acht het onder de gegeven omstandigheden en alle betrokken belangen in aanmerking nemend rechtens verantwoord om de zaak inhoudelijk te beoordelen. [12] De rechtbank acht zich hiertoe in staat omdat eiseres alle relevante gegevens in het geding heeft gebracht en partijen zich over een inhoudelijke beoordeling voldoende hebben uitgelaten. [13]
Begroting van de schade
8. De rechtbank zal gezien het voorgaande de schade als gevolg van de studievertraging, met inachtneming van het civiele aansprakelijkheidsrecht, daarom zelf begroten.
8.1.
Schade wegens het later toetreden tot de arbeidsmarkt betreft vermogensschade die als zodanig valt onder het begrip schade. [14] Eiseres heeft zowel voor de opleiding hbo-rechten als hbo sociaal juridische dienstverlening een negatief bsa gekregen, waardoor zij niet verder mocht met beide opleidingen. Voor beide opleidingen heeft zij het eerste jaar dus niet behaald. Eiseres heeft verklaard dat zij hierna wel voor verschillende mbo- en hbo- opleidingen stond ingeschreven, maar alleen zodat zij studiefinanciering ontving. Eiseres heeft over de studieresultaten, of het gebrek daaraan, geen stukken overgelegd. Sinds augustus 2015 stond zij niet meer ingeschreven voor een opleiding. In mei 2023 heeft zij een diploma behaald voor de post-hbo opleiding Schuldhulpverlening. Deze opleiding heeft een aanzienlijk lagere studielast dan een volledige hbo-opleiding. De rechtbank is op basis van voorgaande van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of eiseres een opleiding op hbo-niveau zou hebben behaald en zo ja, wanneer, in geval zij niet te maken zou hebben gehad met de onterechte stopzetting en terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag. Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. [15]
8.2.
Voor een schatting van de omvang van de schade sluit de rechtbank aan bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging van de Letselschaderaad 2026 (de richtlijn). [16] Deze richtlijn voorziet in normbedragen voor een vergoeding van schade van maximaal één jaar doordat een benadeelde later op de arbeidsmarkt actief is en waarvoor een derde aansprakelijk is. Eiseres heeft op zitting ook toegelicht dat zij in het kader van haar vordering heeft aangesloten bij schade als gevolg van één jaar studievertraging. Ook het schadekader van de CWS sluit aan bij deze richtlijn. Op basis van de richtlijn is de hoogte van de inkomensschade door studievertraging voor maximaal één jaar bij een hbo-opleiding begroot op € 27.525,-. De reden dat de rechtbank aansluit bij het normbedrag van het jaar 2026, is omdat uit de toelichting op de richtlijn volgt dat de gehanteerde bedragen zien op het jaar waarin de schade wordt toegekend en niet op het jaar waarin het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan. [17] Uit de richtlijn zelf, onder het kopje indexatie, volgt dat de bedragen jaarlijks worden geïndexeerd met het loonindexcijfer. Omdat het normbedrag jaarlijks wordt geïndexeerd, is over dit normbedrag geen wettelijke rente verschuldigd.
8.3.
In de richtlijn is expliciet opgenomen dat onder deze vergoeding geen studiekosten zijn begrepen. Deze kosten kunnen daarom nog apart worden gevorderd en toegekend. Ter onderbouwing van de schade voor studiekosten heeft eiseres een kostenspecificatie van Hogeschool Inholland overgelegd voor zowel het studiejaar 2010/2011 als 2011/2012. Voor studiejaar 2010/2011 heeft eiseres een bedrag van € 1.672,- aan collegegeld betaald en voor het studiejaar 2011/2012 een bedrag van € 1.713,-. De rechtbank overweegt dat de vergoeding van één studiejaar het beste aansluit bij de richtlijn, bij de vordering van eiseres en bij de eventuele schadebeperkingsplicht. Gelet hierop komt alleen het collegegeld voor het studiejaar 2010/2011 ter hoogte van € 1.672,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 december 2010 (datum stopbrief) tot en met de dag van betaling, voor toewijzing in aanmerking, omdat eiseres genoodzaakt was haar studie te staken als gevolg van een negatief bsa. De Dienst Toeslagen heeft de hoogte van deze schadepost niet betwist.
8.4.
Het voorgaande betekent dat de Dienst Toeslagen aan eiseres aanvullende compensatie moet toekennen voor werkelijke schade bestaande uit inkomensschade als gevolg van studievertraging, ter hoogte van € 27.525,- en het collegegeld voor het jaar 2010/2011 ter hoogte van € 1.672,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 december 2010 tot en met de dag van betaling. Het totaalbedrag van de toe te kennen aanvullende compensatie voor werkelijke schade (€ 27.525 + (€ 1.672,- te vermeerderen met wettelijke rente)) dient vervolgens te worden vermeerderd met de aanvullende compensatie van 1%. [18] Er hoeft geen verrekening meer plaats te vinden met de vergoeding voor materiële schade die aan eiseres is toegekend op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Die vergoeding is namelijk reeds volledig verrekend met het bedrag aan werkelijke materiële schadevergoeding dat aan eiseres is toegekend met het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2.1, derde lid, van de Wht en het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin is beslist dat eiseres geen recht heeft op aanvullende compensatie voor inkomensschade en extra studiekosten als gevolg van studievertraging. De rechtbank voorziet zelf in de zaak op de wijze zoals hiervoor omschreven onder de overwegingen 8 tot en met 8.4. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een nabetaling van € 29.197,- (€ 27.525,- + € 1.672,-), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.672,- vanaf 24 december 2010 tot en met de dag van betaling. Het totaalbedrag dient vervolgens te worden vermeerderd met 1%.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden. Daarnaast krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van een hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is beslist dat eiseres geen recht heeft op aanvullende compensatie voor inkomensschade en extra studiekosten als gevolg van studievertraging;
  • herroept het besluit van 9 december 2022 voor zover daarin is beslist dat eiseres geen recht heeft op aanvullende compensatie voor inkomensschade en extra studiekosten als gevolg van studievertraging;
  • bepaalt dat eiseres recht heeft op aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, bestaande uit € 1.672,- te vermeerderen met de wettelijke rente, en € 27.525,-, in totaal te vermeerderen met 1%, steeds op de in deze uitspraak vermelde wijze;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, voorzitter, en mr. R.J.P. Ferwerda en mr. G.B. Plomp, leden, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, derde lid, van de Wht.
2.Artikel 6:98 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620, r.o. 15.3.
4.Zie artikel 5.2 van de Wht en artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade en ook
5.Geldig per 22 december 2025 en te raadplegen op https://www.werkelijkeschade.nl/documenten/2025/12/22/werkwijze-en-schadekader-cws.
6.Zie p. 3 van het schadekader.
7.Zie ook
8.Zie p. 9 van het schadekader. De Letselschade Richtlijn Studievertraging, 1 januari 2026 te raadplegen op https://deletselschaderaad.nl/app/uploads/02-DLR-RL-Studievertraging-v-def.pdf.
9.Artikel 6:95, eerste lid, van het BW.
10.Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht.
11.Artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
12.Vgl. de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 juni 2000, ECLI:NL:CBB:2000:AA6348.
13.ABRvS 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3054.
14.Zoals bedoeld in artikel 6:95 van Pro het BW.
15.Artikel 6:97 van Pro het BW.
16.De Letselschade Richtlijn Studievertraging, 1 januari 2026 te raadplegen op https://deletselschaderaad.nl/app/uploads/02-DLR-RL-Studievertraging-v-def.pdf.
17.Zie veel gestelde vragen Richtlijn Studievertraging, vraag 1.
18.Artikel 2.3, negende lid, van de Wht.