ECLI:NL:RBROT:2026:8771

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
11923148 CV EXPL 25-21801
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering bonus en aandelenwaardevermeerdering wegens onduidelijke bonusregeling

De werknemer trad in juni 2022 in dienst bij de werkgever als Business Development Director en maakte aanspraak op een bonus van € 810.000,- bruto en waardevermeerdering van aandelen op basis van een bonusregeling. De arbeidsovereenkomst bevatte aanvullende voorwaarden over de bonus, maar deze regeling was niet concreet uitgewerkt en afhankelijk van het behalen van targets en een goed resultaat van de groep.

De kantonrechter oordeelde dat de bonusregeling een kader was dat nog nader ingevuld moest worden, waarbij de betekenis van de regeling moest worden bepaald aan de hand van de Haviltex-norm. De werknemer slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de bonusvoorwaarden waren vervuld of dat er concrete afspraken waren gemaakt over de targets. Ook was niet gebleken dat de werknemer de beoogde successen had behaald, mede doordat een belangrijke deal niet doorging.

Daarnaast stelde de werknemer aanspraak te maken op aandelen op basis van een afspraak die afhankelijk was van een wederzijds goed gevoel en een additionele overeenkomst, welke niet waren gesloten. De kantonrechter vond dat de werkgever geen schijn van toezegging had gewekt en dat er geen concrete bonus- of aandelenafspraak bestond.

De vordering tot betaling van de bonus en de waardevermeerdering van aandelen werd daarom afgewezen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.

Uitkomst: Vordering tot betaling van bonus en waardevermeerdering aandelen wordt afgewezen wegens onvoldoende concrete afspraken en niet behaalde targets.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11923148 CV EXPL 25-21801
datum uitspraak: 10 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. I.B.W.C. van den Heuvel-Rijnierse,
tegen
[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.T.J. Hoff.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 2 oktober 2025, met bijlagen;
  • de akte verandering gronden, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord, met bijlagen;
  • de mail van mr. Van den Heuvel-Rijnierse van 11 mei 2026, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van mr. Van den Heuvel-Rijnierse en mr. Hoff.
1.2.
Op 18 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser] , vergezeld van zijn partner, met mr. Van den Heuvel-Rijnierse en,
namens [gedaagde] [persoon A] en [persoon B] , met mr. Hoff.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] is een bedrijf dat zich bezig houdt met de handel in eigen onroerend goed, het verkrijgen, bezitten, vervreemden, bezwaren, exploiteren, leasen, (ver)huren en ontwikkelen van (register)goederen. [eiser] is op 1 juni 2022 bij [gedaagde] in dienst is getreden als Business Development Director. Naast de arbeidsovereenkomst zijn partijen nog aanvullende voorwaarden overeengekomen. [eiser] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 augustus 2025 en eist in deze procedure op grond van de tussen partijen overeengekomen bonusregeling betaling van € 810.000,- bruto en daarnaast het bedrag van de waardevermeerdering van de aandelen, met nevenvorderingen. [gedaagde] is het hier niet mee eens en heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
2.2.
De kantonrechter wijst de eis van [eiser] af. Hierna wordt deze beslissing toegelicht.
Bonusregeling
2.3.
In de “Aanvullende Voorwaarden Arbeidsovereenkomst” die tussen partijen is gesloten is voor zover van belang opgenomen:
“(…)
Op de arbeidsovereenkomst zijn de volgende aanvullende voorwaarden van toepassing.
Bonus
a. Target van 100% in een jaar met goede performance & goed resultaat van de groep.
b. Mogelijkheid tot hogere en lagere bonus, discretionair & op basis van targets.
c. Bonus wordt elk jaar geïnvesteerd in de groep of in projecten, de groep stelt 2x bonusbedrag beschikbaar als lening om meer te investeren, waarbij voor ‘groep’ [gedaagde] er nadere afspraken worden gemaakt. Op projectniveau bij nieuwe projecten, net als bij andere medewerkers, is dit goed mogelijk. Dit doel werken partijen nader uit.
d. Meetbaar maken door targets te stellen op performance in verkopen, joint ventures, fonds etc.
(…)”
2.4.
De bonusregeling die partijen hebben afgesproken is naar het oordeel van de kantonrechter geen concrete regeling, maar een regeling die nog nader moest worden ingevuld. Daarbij geldt dat de vraag hoe in de bonusregeling de verhouding van partijen is geregeld en of deze regeling een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van de regeling. Voor de beantwoording van die vraag is ook van belang welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze regeling mochten toekennen en op hetgeen zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-norm).
2.5.
Dat de bonusregeling geen concrete regeling is op basis waarvan aanspraak gemaakt kan worden op een bonusuitkering, volgt uit het feit dat uit de tekst van de regeling niet kan worden afgeleid wat moet worden verstaan onder ‘een jaar met goede performance & goed resultaat van de groep’, onder ‘mogelijkheid tot hogere en lagere bonus’ en onder ‘discretionair & op basis van targets’. Onder sub c is bovendien opgenomen dat het daarin omschreven doel nog nader moet worden uitgewerkt en onder sub d dat de bonus meetbaar moet worden gemaakt door targets te stellen op performance. Partijen dienden aldus nog aanvullende afspraken te maken en targets te stellen ter nadere invulling.
2.6.
Daarbij is het volgende van belang. [eiser] en [gedaagde] zijn met elkaar in contact gekomen, toen [eiser] werkzaam was bij Van Lanschot Kempen, een in Amsterdam gevestigde bank en vermogensbeheerder waar hij voor [gedaagde] onder meer vastgoedtransacties begeleidde. [eiser] heeft de overstap naar [gedaagde] gemaakt, waarbij het de bedoeling van partijen was dat hij met het binnenhalen van nieuwe projecten omzet voor [gedaagde] zou genereren en – bij wederzijds goed gevoel- in de toekomst aandeelhouder van [gedaagde] zou worden. [eiser] zou daarbij de bonusuitkeringen gebruiken voor het aankopen van aandelen in [gedaagde] . Dat [gedaagde] hoge verwachtingen had van [eiser] bij het binnenhalen van nieuwe projecten en het genereren van omzet blijkt ook uit het hoge reguliere salaris dat partijen bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst voor [eiser] zijn overeengekomen.
In het licht van de hierboven omschreven doelen en afspraken moet worden geoordeeld dat partijen de aanspraak op een bonusuitkering hebben willen verbinden aan door [eiser] te bereiken successen in het genereren van omzet en dat de nadere invulling van de bonusregeling daarvan afhankelijk was.
2.7.
Dat [eiser] nieuwe projecten heeft binnengehaald die aanleiding hadden moeten geven tot het nader invullen van de in de bonusregeling genoemde “targets”, is echter niet gebleken. Integendeel, uit de door [eiser] niet betwiste e-mail van [gedaagde] van 5 juni 2025 blijkt dat een belangrijke deal met [bedrijf] niet is doorgegaan.
2.8.
De kantonrechter is met [eiser] van oordeel dat het tot de verantwoordelijkheid van [gedaagde] als werkgever behoorde om nadere kaders te geven aan de bonusregeling. Juist is dat indien een werkgever nalaat een voorwaarde voor een bonus te vervullen, terwijl dat in zijn macht ligt, die voorwaarde als vervuld heeft te gelden. In dit geval was het echter de bedoeling van partijen dat de bonusuitkering afhankelijk werd gesteld van door [eiser] te bereiken successen in het genereren van omzet, successen die kennelijk niet zijn behaald. De vergelijking die [eiser] maakt met de uitspraak van de kantonrechter te Amsterdam van 6 september 2016 ECLI:NL:RBAMS:2016:6037 gaat daarom niet op. In die zaak was de bonusregeling concreet omschreven, maar had de werkgever verzuimd om het functiejaarplan van werknemer vast te leggen en de werknemer te beoordelen op basis van het functiejaarplan.
Tussen partijen is geen bonus vastgesteld
2.9.
De stelling van [eiser] dat partijen voor 2022, 2023 en 2024 hebben vastgesteld dat hij recht had op 100% bonus, volgt de kantonrechter niet. [eiser] heeft geen brieven of andere stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat [gedaagde] aan hem heeft medegedeeld dat de bonus voor het betreffende jaar is vastgesteld. Evenmin heeft [eiser] aannemelijk gemaakt dat hij aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een bonus heeft voldaan. Zoals hiervoor overwogen is de bonus afhankelijk van een jaar ‘met goede performance & goed resultaat van de groep’ en het behalen van nader af te spreken targets. Ook heeft [eiser] niet betwist dat de deal met [bedrijf] niet is doorgegaan en partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst hiervan grote verwachtingen hadden.
2.10.
[eiser] heeft weliswaar (éénmaal bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst en daarna vanaf 2024) per mail diverse voorstellen gedaan voor het nader uitwerken van de bonusregeling en/of zijn inkoop als aandeelhouder, maar uit het enkele feit dat [gedaagde] de mails van [eiser] , zoals door hem gesteld, niet heeft tegengesproken, kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] instemde met de inhoud daarvan. Integendeel, uit de reactie van [gedaagde] blijkt juist dat van een vastgestelde bonusuitkering geen sprake was. Uit de overgelegde e-mailberichten blijkt dat partijen in 2025 nog wel over en weer voorstellen hebben gedaan voor een bonusuitkering en een aandeleninkoopregeling, maar dat proces heeft [eiser] kennelijk niet meer willen afwachten gelet op zijn opzegging per 1 augustus 2025.
De aandelenafspraak
2.11.
In de “Aanvullende Voorwaarden Arbeidsovereenkomst” die tussen partijen is gesloten is voor zover van belang opgenomen:
Lange Termijn afspraken
Fonds
a. Mogelijkheid om tot 5% mee te investeren in het fonds (…)
b. mogelijkheid tot 1/3 aandeel in het groepsbelang in de asset manager (…)
[gedaagde]
a. Na 1 jaar – bij wederzijds goed gevoel – leggen partijen deze afspraken vast in een additionele overeenkomst. Mogelijkheid om na 1 jaar 1% van [gedaagde] te kopen, de bonus wordt hierin geïnvesteerd.
(…)”
2.12.
[eiser] heeft weliswaar gesteld dat partijen in 2023 hebben afgesproken dat [eiser] met de bonus aandelen in [gedaagde] kon gaan kopen, maar hij heeft dit, tegenover de betwisting door [gedaagde] , niet nader onderbouwd. Uit de hierboven aangehaalde regeling blijkt dat voor het verkrijgen van aandelen aan twee aanvullende voorwaarden voldaan moest worden, te weten “wederzijds goed gevoel” en “een additionele overeenkomst”. Gesteld noch gebleken is dat aan die aanvullende voorwaarden is voldaan. Dat [eiser] op eigen initiatief een besloten vennootschap heeft opgericht en een aandeelhoudersovereenkomst heeft laten opstellen, kan niet tot het oordeel leiden dat partijen een aandelenovereenkomst hebben gesloten.
[gedaagde] heeft geen schijn gewekt
2.13.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] evenmin de schijn van toezegging van een bonusuitkering en de aandelenafspraak heeft gewekt. Zoals onder 2.4. overwogen is de bonusregeling die partijen zijn overeengekomen geen concrete regeling, maar een regeling die nog nader moest worden ingevuld. Afgezien van het feit dat niet gebleken is van een verdere invulling van de te behalen targets, kan uit het verloop van de contacten en gesprekken tussen [eiser] en [gedaagde] over de bonus en de aandelen geen toezegging van een bonus of aandelenafspraak worden afgeleid.
Slotsom
2.14.
Omdat tussen partijen geen bonusuitkering is vastgesteld en [gedaagde] evenmin de schijn van een toezegging van een bonusuitkering heeft gewekt, wordt de vordering tot betaling van € 810.000,- bruto aan bonus afgewezen.
2.15.
Het afwijzen van de bonus heeft mede tot gevolg dat [eiser] ook geen aanspraak heeft op betaling van de waardevermeerdering van een deel van de aandelen. Omdat tussen partijen geen bonusuitkering is vastgesteld en geen aandelenafspraak is gemaakt, bestaat voor deze aanspraak geen grondslag.
2.16.
De nevenvorderingen van [eiser] delen in het lot van afwijzing.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.17.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 1.154 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 577,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.298,- Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.18.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.298,-;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
754