ECLI:NL:RBROT:2026:8944

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
12163878 VZ VERZ 26-1486
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:671c BWArt. 6:119 BWArt. 21 RvArt. 288 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst na langdurige ziekte met afwijzing schadevergoeding transitievergoeding en mobiliteitsvergoeding

Verzoekster is sinds 1 juli 2023 in dienst als HR manager en viel op 6 maart 2024 uit wegens ziekte. Na het verstrijken van de loondoorbetalingsverplichting op 6 maart 2026 verzoekt zij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wijst de ontbinding toe omdat verweerster zich hiertegen niet verzet en de loondoorbetalingsverplichting is verstreken.

Verzoekster vordert daarnaast betaling van vakantietoeslag, openstaande vakantie-uren, tijd-voor-tijd uren, een schadevergoeding ex artikel 7:611 BW Pro gelijk aan de transitievergoeding en doorbetaling van de mobiliteitsvergoeding tijdens ziekte. De kantonrechter wijst de betaling van vakantietoeslag, vakantie-uren en tijd-voor-tijd uren toe, inclusief wettelijke rente, omdat deze niet meer betwist worden.

De doorbetaling van de mobiliteitsvergoeding wordt afgewezen omdat deze vergoeding ziet op zakelijk gebruik van de privéauto, wat tijdens ziekte niet aan de orde was. De stopzetting na drie maanden arbeidsongeschiktheid is redelijk. De gevorderde schadevergoeding ex artikel 7:611 BW Pro wordt afgewezen omdat verweerster voldoende heeft meegewerkt aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en verzoekster inmiddels een nieuwe baan heeft geaccepteerd.

De kantonrechter compenseert de proceskosten en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Verzoekster wordt tevens veroordeeld tot het verstrekken van bruto-netto specificaties van de toegekende bedragen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en verweerster wordt veroordeeld tot betaling van vakantietoeslag, openstaande vakantie-uren en tijd-voor-tijd uren, terwijl schadevergoeding en doorbetaling mobiliteitsvergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12163878 VZ VERZ 26-1486
datum uitspraak: 24 juni 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. A.Th. de Haan,
tegen
[verweerster] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.B. Kloosterman.
De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift (ontvangen op 30 maart 2026), met bijlagen;
  • het verweerschrift, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoekster] .
1.2.
Op 1 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [verzoekster] en haar gemachtigde. Namens [verweerster] waren aanwezig [persoon A] ( financieel directeur ) en [persoon B] ( HR manager ) met de gemachtigde.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoekster] verzoekt samengevat:
  • de arbeidsovereenkomst te ontbinden en [verweerster] te veroordelen een vergoeding van € 6.401,53 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • [verweerster] te veroordelen de mobiliteitsvergoeding van € 8.591,60 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
  • [verweerster] te veroordelen de vakantietoeslag over 2025 en 2026 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • [verweerster] te veroordelen een bedrag van € 15.165,76 bruto aan openstaande vakantie-uren te betalen;
  • [verweerster] te veroordelen een bedrag van € 2.637,42 bruto aan openstaande tijd-voor-tijd uren te betalen;
  • [verweerster] te veroordelen om binnen veertien dagen na de betalingen deugdelijke bruto-netto specificaties te verstrekken;
  • [verweerster] veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.De beoordeling

Inleiding
3.1.
[verzoekster] is op 1 juli 2023 bij [verweerster] in dienst getreden in de functie van HR manager op basis van een contract voor onbepaalde tijd. Het salaris van [verzoekster] bedraagt € 6.624,- bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld. [verzoekster] is op 6 maart 2024 uitgevallen wegens ziekte.
Op 6 maart 2026 is de loondoorbetalingsverplichting van [verweerster] verstreken. Partijen hebben geprobeerd een vaststellingsovereenkomst te sluiten maar dat is niet gelukt. Partijen zijn het over een aantal onderdelen van de eindafrekening niet eens. Vooral de betaling van de mobiliteitsvergoeding houdt partijen verdeeld.
Ontbinding arbeidsovereenkomst
3.2.
[verzoekster] vraagt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden (artikel 7:671c BW). Omdat [verweerster] zich hiertegen niet verzet en de loondoorbetalingsverplichting na twee jaar arbeidsongeschiktheid is verstreken, is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve moet eindigen. De ontbinding zal worden uitgesproken per de datum van deze beschikking.
3.3.
Hierna wordt puntsgewijs ingegaan op de overige onderdelen van het verzoek van [verzoekster] .
Vakantietoeslag, verlofuren en tijd-voor-tijd uren
3.4.
Tijdens de zitting heeft [verweerster] de verschuldigdheid hiervan niet (meer) betwist. De kantonrechter zal deze verzoeken toewijzen zoals door [verzoekster] verzocht. Over de vakantietoeslag wordt de gevraagde wettelijke rente ook toegewezen.
Mobiliteitsvergoeding
3.5.
[verzoekster] maakt aanspraak op doorbetaling van de mobiliteitsvergoeding tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid. Volgens [verzoekster] is die betaling onterecht stopgezet. In de arbeidsovereenkomst onder 6 ‘Auto van de zaak’ is over de mobiliteitsvergoeding het volgende opgenomen:
6.4
In plaats van het beschikbaar stellen van een bedrijfsauto kunnen werkgever en
werknemer een vaste maandelijkse reis- en/of mobiliteitsvergoeding
overeenkomen ter compensatie van het zakelijk gebruik van de privéauto van
werknemer. Werknemer verklaart zich alsdan uitdrukkelijk bereid om haar auto
voor zakelijke doeleinden te gebruiken. De eventuele fiscale consequenties van
een dergelijke vergoeding zijn voor rekening van werknemer.
3.6.
[verzoekster] stelt dat gaat het om een vaste looncomponent. Er zijn volgens haar geen afspraken gemaakt over de aanspraak op de vergoeding bij (langdurige) arbeidsongeschiktheid. [verweerster] wijst op de autoregeling waarin is vastgelegd dat de leaseauto op eerste verzoek van de werkgever moet worden ingeleverd als de arbeidsongeschiktheid langer dan drie maanden duurt. Datzelfde geldt voor de mobiliteitsvergoeding waarop deze regeling ook van toepassing is, aldus [verweerster] .
3.7.
De kantonrechter is van oordeel dat de autoregeling waarnaar [verweerster] verwijst niet van toepassing is op de mobiliteitsvergoeding. Het is wel zo dat de mobiliteitsvergoeding onder artikel 6 ‘Auto van de zaak’ is opgenomen maar dit betekent niet meteen dat een eventuele autoregeling ook ziet op de mobiliteitsvergoeding. Ook in artikel 17 ‘Reglementen’ waarin is bepaald welke reglementen onderdeel uitmaken van de arbeidsovereenkomst, wordt geen autoregeling genoemd. Echter, uit artikel 6 van Pro de arbeidsovereenkomst blijkt expliciet dat het gaat om een vergoeding voor
zakelijkgebruik van de privé auto van een werknemer. Van zakelijk gebruik is tijdens de ziekteperiode geen sprake geweest. Feit is dat de vergoeding ziet op door de werknemer te maken kosten verband houdende met het werk. Nu er geen sprake was van werk, was er derhalve ook geen recht op een dergelijke vergoeding. Daarbij komt dat [verzoekster] haar reiskosten verband houdende met re-integratie zoals bezoeken aan de bedrijfsarts, mocht declareren. De werkgever heeft de vergoeding -in lijn met de autoregeling- niet direct maar na 3 maanden van aaneengesloten arbeidsongeschiktheid stopgezet hetgeen alleszins redelijk is te noemen.
3.8.
De conclusie is dat [verweerster] de mobiliteitsvergoeding mocht stop zetten en de verzochte mobiliteitsvergoeding wordt afgewezen.
Vergoeding
3.9.
De kantonrechter begrijpt dat [verzoekster] aanspraak maakt op een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding van € 6.401,53 (bruto), omdat zij vindt dat [verweerster] in strijd met het goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW Pro heeft gehandeld door niet in te stemmen met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.
In de zogenoemde Xella-beslissing heeft de Hoge Raad overwogen [1] :
“Als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, geldt als uitgangspunt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW Pro, gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Daarbij geldt dat die vergoeding niet meer behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen.”
3.10.
Zoals al overwogen waren partijen bezig met een vaststellingsovereenkomst. In de door [verweerster] opgestelde overeenkomst gedateerd 6 maart 2026, wordt aan [verzoekster] een ontslagvergoeding van € 6.401,53 (bruto) aangeboden. Vervolgens heeft [verzoekster] op 12 maart 2026 voorgesteld een uitzondering in de finale kwijtingsclausule te maken voor het geschil over de mobiliteitsvergoeding (bijlage 6 verzoekschrift). In reactie daarop schrijft [verweerster] dat er niets meer gewijzigd wordt en zij de mobiliteitsvergoeding niet verschuldigd is. Zij stelt voor over te gaan tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst (bijlage 7 verzoekschrift). Volgens [verweerster] werd kort daarop plotseling - en tot haar verbazing - het verzoekschrift door [verzoekster] ingediend.
3.11.
Op basis van de hiervoor besproken correspondentie blijkt onvoldoende dat [verweerster] niet wilde meewerken aan een einde van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Op 6 maart 2026 is de loondoorbetalingsverplichting van [verweerster] verstreken en diezelfde dag is in overleg met [verzoekster] aan haar een vaststellingsovereenkomst toegestuurd strekkende tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit was overigens op verzoek van [verzoekster] zelf. Er was tussen partijen nog discussie over de mobiliteitsvergoeding. [verzoekster] heeft vervolgens op 31 maart 2026 het verzoekschrift strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, omdat zij per 1 april 2026 een nieuwe baan elders had geaccepteerd (tegen een hoger salaris). Kennelijk was er geen sprake meer van arbeidsongeschiktheid aan de zijde van [verzoekster] . Gelet op deze gang van zaken kan niet worden geoordeeld dat [verweerster] zich niet als goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW Pro heeft gedragen. Om die reden wordt de gevorderde schadevergoeding ex artikel 7.611 BW ter hoogte van de transitievergoeding afgewezen. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat het [verzoekster] niet siert dat zij in haar ontbindingsverzoek geen vermelding heeft gemaakt van de nieuwe baan die zij per 1 april 2026 heeft aanvaard en dat zij hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rechtsvordering Pro. Hieraan zal de kantonrechter geen verdere consequenties verbinden.
Specificaties
3.12.
Het verzoek tot verstrekken van deugdelijke bruto-nettospecificaties van de toegewezen bedragen wordt toegewezen.
Proceskosten
3.13.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, omdat partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld. Dit betekent dat elke partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.14.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
4. De beslissing
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van de datum van deze beschikking;
4.2.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen de vakantietoeslag over 2025 en 2026 (berekend over 1 mei 2025 tot en met 6 maart 2026), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot de datum van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen € 15.165,76 bruto voor openstaande vakantie-uren;
4.4.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen € 2.637,42 bruto voor openstaande tijd-voor-tijd uren;
4.5.
veroordeelt [verweerster] om binnen veertien dagen na de betaling van de voornoemde bedragen aan [verzoekster] een deugdelijke bruto-netto specificatie daarvan te verstrekken;
4.6.
compenseert de proceskosten;
4.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.J. Willemsen en in het openbaar uitgesproken.
540

Voetnoten

1.Hoge Raad 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734