Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het verzoekschrift (ontvangen op 30 maart 2026), met bijlagen;
- het verweerschrift, met bijlagen;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoekster] .
2.Het verzoek
- de arbeidsovereenkomst te ontbinden en [verweerster] te veroordelen een vergoeding van € 6.401,53 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
- [verweerster] te veroordelen de mobiliteitsvergoeding van € 8.591,60 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
- [verweerster] te veroordelen de vakantietoeslag over 2025 en 2026 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
- [verweerster] te veroordelen een bedrag van € 15.165,76 bruto aan openstaande vakantie-uren te betalen;
- [verweerster] te veroordelen een bedrag van € 2.637,42 bruto aan openstaande tijd-voor-tijd uren te betalen;
- [verweerster] te veroordelen om binnen veertien dagen na de betalingen deugdelijke bruto-netto specificaties te verstrekken;
- [verweerster] veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.De beoordeling
zakelijkgebruik van de privé auto van een werknemer. Van zakelijk gebruik is tijdens de ziekteperiode geen sprake geweest. Feit is dat de vergoeding ziet op door de werknemer te maken kosten verband houdende met het werk. Nu er geen sprake was van werk, was er derhalve ook geen recht op een dergelijke vergoeding. Daarbij komt dat [verzoekster] haar reiskosten verband houdende met re-integratie zoals bezoeken aan de bedrijfsarts, mocht declareren. De werkgever heeft de vergoeding -in lijn met de autoregeling- niet direct maar na 3 maanden van aaneengesloten arbeidsongeschiktheid stopgezet hetgeen alleszins redelijk is te noemen.