ECLI:NL:RBROT:2026:8947

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/4184
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:72 AwbArt. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 lid 3 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres, werkzaam als verzorgende IG, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij volgens de arbeidsdeskundige minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en beroep bleef het UWV bij dit oordeel. De rechtbank oordeelt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen vanwege onjuiste functionele mogelijkhedenlijsten, maar dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld.

De rechtbank overweegt dat de Wet WIA dwingend voorschrijft dat een uitkering pas wordt toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van minimaal 35%. Eiseres betoogde dat deze systematiek oneerlijk is en in strijd met internationale normen, maar de rechtbank wijst dit af omdat de ILO-conventie niet van toepassing is en de wetgever deze systematiek heeft bepaald.

Medische en arbeidsdeskundige rapporten bevestigen dat eiseres ondanks haar klachten en beperkingen in staat is om passende functies te verrichten. De rechtbank vernietigt het besluit vanwege procedurele onzorgvuldigheden, maar handhaaft de rechtsgevolgen omdat het UWV het juiste percentage arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld. Het UWV moet het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onzorgvuldigheid, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat de arbeidsongeschiktheid terecht onder de 35% is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4184

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. H.J.J. Verhoeven).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de weigering om aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) toe te kennen. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de uitkering.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het UWV heeft echter wel terecht geweigerd om aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Daarom is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit, maar laat zij de rechtsgevolgen daarvan in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 29 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiseres voor een WIA-uitkering met ingang van 25 oktober 2023 (de datum in geding) afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Bij besluit van 20 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres en de gemachtigde van het UWV hebben hieraan deelgenomen. Ter zitting is het onderzoek geschorst. De rechtbank heeft vervolgens de tijdens de zitting besproken vragen voor het UWV en de daarover gemaakte afspraken schriftelijk bevestigd.
2.6.
Het UWV heeft daarna aanvullende stukken ingediend.
2.7.
Eiseres heeft hier schriftelijk op gereageerd.
2.8.
Nadat geen van de partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 april 2026 gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Eiseres is werkzaam geweest als verzorgende IG voor 25,42 uur per week. Eiseres heeft zich, terwijl zij een WW-uitkering ontving, op 27 oktober 2021 ziek gemeld. Op 7 juli 2023 heeft eiseres vervolgens een WIA-uitkering aangevraagd.
3.2.
In verband met deze aanvraag is eiseres op 5 september 2023 gezien door een verzekeringsarts. In haar rapport van 7 september 2023 concludeert de verzekeringsarts dat eiseres verminderde benutbare mogelijkheden heeft.
3.3.
De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 16 november 2023 vervolgens geconcludeerd dat eiseres, met inachtneming van haar mogelijkheden en beperkingen, niet geschikt is voor de functie die zij het laatst verrichtte voordat zij ziek werd (de maatgevende arbeid), maar wel voor ander werk. Volgens de arbeidsdeskundige zijn er minimaal drie functies die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen doen. Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 0% lager dan wat zij met haar eigen werk zou kunnen verdienen. Dat betekent dat zij voor 0% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de Wet WIA. Omdat dit minder is dan 35% heeft het UWV met het primaire besluit geweigerd eiseres een WIA-uitkering toe te kennen.
3.4.
Omdat eiseres tegen het primaire besluit bezwaar heeft gemaakt, heeft een heroverweging plaatsgevonden. In verband daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres op 21 februari 2025 op een hoorzitting gezien. In zijn rapport van 2 april 2025 komt de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie dat er in meer dan ruime mate rekening is gehouden met de klachten van eiseres en dat er geen medische onderbouwing is voor aanvullende en/of verdergaande beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zag hierbij aanleiding om de gegeven beperking “geen intense bewegingen van de vingers zoals datatypist werk" te verwijderen.
3.5.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 9 mei 2025 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire oordeel. Volgens de arbeidsdeskundige zijn er nog steeds minimaal drie functies die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen doen. Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt opnieuw 0% lager dan wat zij met haar eigen werk zou kunnen verdienen. Dat betekent dat zij nog steeds voor 0% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de Wet WIA. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Het oordeel van de rechtbank

4.1.
De rechtbank beoordeelt aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht met ingang van 25 oktober 2023 heeft vastgesteld op minder dan 35%.
4.2.
De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Het systeem van de Wet WIA
5.1.
Eiseres is het niet eens met het feit dat geen recht op een WIA-uitkering bestaat als het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% bedraagt. Zij wijst in dit verband op het standpunt van het Comité van Deskundigen van de International Labor Organization uit 2023 (Report III, Part A) dat de ondergrens van 35% in de Wet WIA in strijd is met de ILO-conventie 121. Bovendien is de systematiek van de Wet WIA oneerlijk, omdat mensen met een hoger laatstverdiend loon sneller arbeidsongeschikt zijn.
5.2.
De rechtbank overweegt dat de ILOconventie 121 betrekking heeft op arbeidsongevallen en beroepsziekten. Het is in dit geval niet gesteld of gebleken dat bij eiseres sprake zou zijn van een arbeidsongeval of een beroepsziekte. In zoverre kan zij dan ook geen beroep doen op de ILO-conventie 121.
5.3.
Voor zover eiseres de manier waarop de mate van arbeidsongeschiktheid wordt bepaald oneerlijk vindt, omdat iemand met een hoger uurloon eerder in aanmerking komt voor een uitkering, overweegt de rechtbank het volgende. [1] In de huidige systematiek van de Wet WIA (en dus ook in de situatie van eiseres) wordt het percentage van de arbeidsongeschiktheid bepaald door het inkomen dat de verzekerde zou hebben kunnen verdienen als zij niet arbeidsongeschikt was (het maatmaninkomen) af te zetten tegen wat zij op de datum in geding nog zou kunnen verdienen (de restverdiencapaciteit). Deze systematiek is voor iedereen die voor een WIA-uitkering in aanmerking wil komen hetzelfde, ongeacht de hoogte van het inkomen. Doel en strekking van de Wet WIA is immers het vaststellen van de mate van arbeids(on)geschiktheid van de verzekerde werknemers, door berekening van het verlies aan verdienvermogen. Het gaat erom of de verzekerde met zijn of haar arbeidsbeperkingen in beginsel in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid werkzaamheden te verrichten. Daarbij spelen arbeidsmarktfactoren (zoals bijvoorbeeld leeftijd en of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen) geen rol. Dat de uitkomst van de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit bij dezelfde resterende verdiencapaciteit verschilt naar gelang van de hoogte van de verdiensten vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid, is inherent aan de wettelijke systematiek en wordt gerechtvaardigd door het verzekeringskarakter daarvan. De rechtbank begrijpt dat dit voor eiseres oneerlijk voelt. Eiseres heeft dit gevoel ter zitting ook op heldere wijze toegelicht. De Wet WIA is echter een wet in formele zin en schrijft dwingendrechtelijk voor dat eiseres pas recht heeft op een WIA-uitkering als minder dan 65% kan worden verdiend van het maatmaninkomen. De omstandigheid dat eiseres zich benadeeld voelt en de systematiek van de Wet WIA onrechtvaardig vindt, doet dus niet af aan de verplichting voor het UWV om de geldende wet- en regelgeving uit te voeren. De rechtbank is vervolgens gehouden binnen deze wettelijke kaders te toetsen [2] , waarbij overigens ook geen ruimte bestaat om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. [3]
De medische en de arbeidsdeskundige beoordeling
6.1.
Eiseres voert aan dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar beperkingen. Zij heeft last van gegeneraliseerde artrose en dit is een progressieve en onvoorspelbare aandoening. Zij is hierdoor niet betrouwbaar inzetbaar voor werk. Ook kan zij hierdoor niet zelfstandig of langdurig reizen. Eiseres heeft verder vaak last van duizeligheid. Bovendien ervaart zij psychische klachten. Zij heeft namelijk veel last van stress en slaapt erg slecht. Door deze klachten en beperkingen is eiseres niet in staat om de geduide functies te verrichten. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is bovendien verkeerd berekend. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat door de primaire verzekeringsarts drie Functionele Mogelijkhedenlijsten zijn opgesteld. Deze lijsten zijn telkens geldig vanaf 5 september 2023 en zijn ook telkens vastgelegd op 7 september 2023. Tussen deze lijsten zitten echter belangrijke verschillen. In twee van deze lijsten (aangemaakt om 09:18 uur en 19:19 uur) zijn namelijk beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 3. Fysieke omgevingseisen, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6. Werktijden, terwijl in de laatste lijst (aangemaakt om 09:20 uur) slechts beperkingen worden opgenomen ten aanzien van de tweede, derde en vijfde rubriek. Op basis van alinea 6.2. van het rapport van de primaire verzekeringsarts gaat de rechtbank ervan uit dat deze heeft bedoeld te komen tot beperkingen op alle zes de rubrieken.
6.3.
Uit het (na de zitting opgestelde) rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 december 2025 blijkt dat hij zijn rapport van 2 april 2025 heeft gebaseerd op de FML die de primaire verzekeringsarts heeft aangemaakt om 09:20 uur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep erkent dat hij daarmee ten onrechte ervan uit is gegaan dat de primaire verzekeringsarts slechts beperkingen aannam ten aanzien van de tweede, derde en vijfde rubriek en dat hij daarom ook ten onrechte in zijn FML van 18 april 2025 enkel beperkingen heeft aangenomen op die rubrieken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in zijn rapport van 9 mei 2025 vervolgens uitgegaan van die onjuiste FML van 18 april 2025. Het bestreden besluit is hierdoor onzorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.
6.4.
De rechtbank zal vervolgens in het kader van de finale geschilbeslechting bezien of op basis van alle beschikbare informatie, waaronder de in beroep overgelegde rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te houden. Dit betekent dat de rechtbank zal beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres alsnog terecht met ingang van 25 oktober 2023 heeft vastgesteld op minder dan 35%.
6.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn rapport van 2 april 2025 uitgebreid ingegaan op de artrose van eiseres. Hij heeft daarbij toegelicht dat de primaire verzekeringsarts ten onrechte is uitgegaan van de diagnose gegeneraliseerde artrose, omdat uit in bezwaar ontvangen informatie van de huisarts enkel blijkt dat er sprake is aangetoonde artrose in de rechterknie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dan ook dat in meer dan ruime mate rekening is gehouden met de artrose van eiseres. In de in beroep overgelegde rapportage van 11 december 2025 is vervolgens nog een nadere toelichting gegeven tot welke beperkingen dit vervolgens heeft geleid. De rechtbank kan dit volgen. Daar komt bij dat eiseres de stellingen dat zij door haar artrose niet betrouwbaar inzetbaar is voor werk en dat zij hierdoor niet zelfstandig of langdurig kan reizen verder ook niet heeft onderbouwd met medische stukken.
6.6.
De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport (onder 6.1) overwogen dat door eiseres melding werd gemaakt van psychische klachten zoals slecht slapen, veel huilen, piekeren, weinig vertrouwen in anderen en veel stress. Hij heeft deze klachten aangemerkt als een aanpassingsstoornis en zag hierin aanleiding om eiseres te beperken voor deadlines en productiepieken, omgaan met conflicten, leidinggevende aspecten en nachtdiensten of wisselende ploegendiensten van meer dan twee wisselingen per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze beperkingen uiteindelijk overgenomen in zijn FML van 11 december 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij tevens beperkingen opgenomen ten aanzien van de door eiseres genoemde duizeligheid in die zin dat zij daardoor is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico en niet geschikt is voor het werk van beroepsmatig chauffeur.
6.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wat eiseres in beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de FML van 11 december 2025 die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in zijn rapport van 16 december 2025 uitgegaan van deze FML. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep moet eiseres in staat worden geacht de functies te kunnen verrichten die hij in zijn rapport van 16 december 2025 heeft geselecteerd. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is in dat rapport wel juist berekend op 19,93%, terwijl dit percentage nog altijd lager is dan het percentage van 35% dat recht geeft op een WIA-uitkering. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van eiseres wel terecht heeft vastgesteld op minder dan 35%. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom in stand laten.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft haar verzoek tot het vergoeden van reiskosten op de zitting ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing neemt. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 februari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:1555.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) van 12 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:4029), r.o. 4.5.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 25 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1003, r.o. 4.5, en de uitspraak van de Raad van 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2331, r.o. 4.12.