ECLI:NL:RBSGR:2003:AJ9971
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en ingangsdatum verblijfsvergunning voor Iraakse asielzoeker
Eiser, een Iraakse asielzoeker afkomstig uit Centraal-Irak, kreeg aanvankelijk een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, die later werd ingetrokken. Hij maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze intrekking en tegen de weigering van een verblijfsvergunning op andere gronden. Verweerder handhaafde het besluit tot intrekking en wees een verblijfsvergunning toe op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet 2000, met ingang van 25 november 2002.
De rechtbank toetste of verweerder in redelijkheid tot intrekking kon besluiten en of het ingangsdatumbeleid van de verblijfsvergunning correct was. Uit ambtsberichten en beleidsstukken bleek dat de humanitaire situatie in Noord-Irak sinds de beleidswijziging van november 1998 niet zodanig was gewijzigd dat een vvtv moest worden toegekend. Ook was er geen reden om vóór 25 november 2002 een categoriaal beschermingsbeleid te voeren voor asielzoekers uit Centraal-Irak, omdat de Koerdische autoriteiten pas vanaf die datum geen toegang verleenden.
Eiser voerde aan dat hij geen vestigingsalternatief had in Noord-Irak en dat het vluchtverhaal onvoldoende was beoordeeld, maar de rechtbank oordeelde dat individuele omstandigheden geen rol spelen bij de beoordeling van het vvtv-beleid en dat verweerder een ruime beoordelingsmarge heeft. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, en het beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning op andere gronden niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf en tegen de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning wordt afgewezen.