ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2890
Rechtbank 's-Gravenhage
- Schadevergoedingsuitspraak
- J. Barkel-van Berchum
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser, een Libische verdachte in de Schipholbrandzaak, werd op 8 november 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op uitzetting. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank overwoog dat de voorlopige hechtenis van eiser door het Gerechtshof Amsterdam was geschorst onder voorwaarden die hem verplichten Nederland niet te verlaten zolang de strafzaak niet onherroepelijk is beslist.
De rechtbank stelde vast dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege de schorsingsvoorwaarden en het moratorium voor Libische uitgeprocedeerde asielzoekers tot 1 januari 2007. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was en dat de geplande uitzetting op 30 november 2006 in strijd was met de beschikking van het Gerechtshof.
De rechtbank wees het standpunt van verweerder af dat er wel zicht op uitzetting was vanwege een laissez-passer en geboekte vlucht. Tevens werd vastgesteld dat een laissez-passer niet gelijkstaat aan een identiteitsdocument in de zin van de Vreemdelingenbesluit. De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €980 voor veertien dagen onrechtmatige bewaring en proceskosten van €644.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken op 22 november 2006 en is openbaar.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn en kent schadevergoeding toe.