ECLI:NL:RVS:2007:AZ7877
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de vreemdeling in vreemdelingenbewaring had gesteld. De rechtbank had geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig was omdat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank deze beoordeling heeft miskend, omdat de voorwaarden waaronder de voorlopige hechtenis was geschorst niet inhielden dat de vreemdeling Nederland niet mocht verlaten zolang de strafzaak niet onherroepelijk was beslist.
De Raad stelt vast dat het Openbaar Ministerie op de hoogte was van de maatregel van bewaring en geen bezwaar had tegen de uitzetting, waardoor er wel degelijk zicht op uitzetting bestond. Tevens is geoordeeld dat het overbrengen van de vreemdeling na strafrechtelijke detentie naar een plaats bestemd voor verhoor rechtmatig was en dat het verhoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet ten onrechte was achterwege gebleven.
Het beroep van de vreemdeling op artikel 3 EVRM Pro wordt verworpen omdat dit niet aan de orde is in het kader van het beroep tegen de bewaring. De overige beroepsgronden zijn niet aan de orde omdat deze niet in hoger beroep zijn aangevoerd. De Raad verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd; het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.