ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0494
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Elkerbout
- Veldt-Foglia
- Sluiter
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens ontbreken rechtsmacht voor genocide gepleegd in Rwanda in 1994
Verdachte, een Rwandees, werd vervolgd voor genocide en oorlogsmisdrijven gepleegd in Rwanda in 1994. De officier van justitie had de vervolging overgenomen van het Rwanda-tribunaal. De rechtbank oordeelt dat Nederland geen originaire noch afgeleide rechtsmacht heeft voor genocide gepleegd door een niet-Nederlander buiten Nederland zonder Nederlandse slachtoffers of belangen.
De rechtbank onderzocht de rechtsmacht op basis van het Wetboek van Strafrecht, de Uitvoeringswet genocideverdrag, de Wet Oorlogsstrafrecht en internationale verdragen. Het Genocideverdrag en het Handvest van de VN bieden geen verdragsgrondslag voor overname van strafvervolging door Nederland. Het Rwanda-tribunaal kan wel als 'vreemde staat' worden aangemerkt, maar er ontbreekt een verdrag dat de bevoegdheid tot strafvervolging aan Nederland verleent.
De rechtbank verwierp het beroep van het openbaar ministerie op het Handvest, het Statuut van het Rwanda-tribunaal en VN-resoluties als verdragsbasis. Ook het beroep op het Genocideverdrag en jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof faalde. De rechtbank concludeert dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging wegens gebrek aan rechtsmacht.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de Aanklager van het Rwanda-tribunaal bevoegd is om het verzoek tot overname te doen en dat het verzoek rechtsgeldig was. Wel stelde de rechtbank vast dat verdachte niet conform wettelijke hoorplichten is gehoord, wat hersteld kan worden. De rechtbank benadrukt dat de lacune in de regelgeving door de wetgever moet worden opgelost.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens ontbreken van rechtsmacht voor genocide gepleegd in Rwanda in 1994.