ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1381
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. van Rij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens onjuiste waardering stakingswinst en voorziening
Eiser en zijn echtgenote, firmanten van een vennootschap onder firma, deden over 2001 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur stelde daarom ambtshalve aanslagen vast en legde een navorderingsaanslag met boete op. Eiser diende te laat bezwaar in en verzocht om vermindering, waarbij hij aangiftegegevens overlegde waaruit bleek dat de onderneming eind 2001 was gestaakt.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was omdat de klacht bij de Nationale Ombudsman als beroepschrift werd aangemerkt. De kern van het geschil betrof de juiste berekening van de stakingswinst, met name de waardering van het bedrijfspand en de vrijval van een voorziening voor een schuld aan een Duits bedrijf.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur de waarde van het pand te hoog had vastgesteld (€392.000 in plaats van €197.394), mede omdat de overeengekomen huurprijs niet representatief was voor de economische waarde. Ook werd geoordeeld dat de voorziening niet volledig ten laste van de winst mocht worden gebracht, maar slechts verminderd met de daadwerkelijk gedane betalingen.
Gevolg was dat het belastbaar inkomen van eiser te hoog was vastgesteld en de navorderingsaanslag onterecht was opgelegd. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, herroept de aanslag en gelast dat de inspecteur het verzoek tot vermindering opnieuw in overweging neemt. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2001 wordt vernietigd wegens te hoge waardering van het bedrijfspand en onjuiste verwerking van de voorziening.