ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9696
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring en weigering verblijfsvergunning asiel
Verzoeker, een Iraakse arts die in Bagdad werkte, is ongewenst verklaard en zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen. Eerder werd vastgesteld dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is wegens betrokkenheid bij misdrijven tegen de menselijkheid. Verzoeker stelde dat verwijdering uit Nederland zou leiden tot schending van artikel 3 en Pro 8 EVRM.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen procesbelang heeft bij het verzoek om voorlopige voorziening, maar gaat toch inhoudelijk in op de gronden. De situatie in Irak is diffuus en willekeurig geweld tegen diverse groepen, zonder specifieke bedreiging voor artsen. Verzoeker heeft geen concrete feiten aangevoerd waaruit een persoonlijk risico blijkt. Zijn beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt omdat zijn echtgenote in Irak verblijft en geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft.
De rechtbank concludeert dat het bezwaar tegen het besluit geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ongewenstverklaring en afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.