ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0068
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting naar Noord-Irak
Eiser, een Iraakse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 6 maart 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op zijn uitzetting naar Noord-Irak. Ondanks dat de Iraakse autoriteiten in beginsel bereid zijn tot medewerking en verweerder er alles aan doet om uitzetting te realiseren, heeft de rechtbank vastgesteld dat er geen concreet zicht is op daadwerkelijke uitzetting binnen een redelijke termijn.
De rechtbank overweegt dat de beschouwingen van verweerder steken in goede voornemens en hoopvolle verwachtingen, zonder concrete termijnen. Dit leidt tot de conclusie dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is. Daarnaast is vastgesteld dat eiser geen identiteitsdocument bezit, geen vaste verblijfplaats heeft en onvoldoende middelen van bestaan, wat het vermoeden versterkt dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.
De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de bewaring met ingang van 18 maart 2008 en kent eiser een schadevergoeding toe van €940,00 over de periode van 6 tot en met 17 maart 2008, conform richtlijnen voor immateriële schade bij voorlopige hechtenis. Tevens worden de proceskosten van €644,00 aan eiser toegewezen en ten laste van de Staat der Nederlanden gebracht.
Uitkomst: De rechtbank heft de vreemdelingenbewaring op wegens ontbreken van reëel zicht op uitzetting en kent schadevergoeding en proceskosten toe aan eiser.