ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5672
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring wegens gebrek aan zicht op uitzetting naar China
Eiser, een Chinese vreemdeling, is op 5 april 2008 in bewaring gesteld. De rechtbank had eerder op 6 juni 2008 het beroep tegen het voortduren van de bewaring ongegrond verklaard, maar moest nu beoordelen of de bewaring vanaf 7 juni 2008 rechtmatig was. Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting naar China, omdat de Chinese autoriteiten sinds april 2007 geen laissez-passers meer verstrekken.
Verweerder voerde aan dat via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in 2007 en 2008 vreemdelingen naar China waren teruggekeerd, wat zou duiden op zicht op uitzetting. De rechtbank concludeerde echter dat het vertrek via IOM niet automatisch betekent dat uitzetting mogelijk is, mede omdat verweerder niet kon aangeven met welke documenten deze terugkeerders reisden.
De rechtbank stelde vast dat na april 2007 geen laissez-passers meer werden verstrekt door China, ook niet aan gedocumenteerde vreemdelingen, ondanks ongeveer 900 aanvragen. Hierdoor was er geen reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Dit oordeel wijkt af van eerdere uitspraken, omdat sindsdien meer informatie beschikbaar is gekomen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring per direct en kende eiser een schadevergoeding toe van €1.260 voor de periode vanaf 7 juni 2008. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de bewaring en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige voortzetting van de bewaring.