ECLI:NL:RBSGR:2008:BF2194
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser, een Chinese vreemdeling zonder paspoort, werd op 28 augustus 2008 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd betwist omdat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank overwoog dat vreemdelingenbewaring alleen is toegestaan met het oog op uitzetting en dat het zicht daarop in elk stadium moet bestaan.
De verdediging stelde dat er geen zicht op uitzetting was omdat eiser geen identiteitsdocumenten bezat en de diplomatieke contacten met China nog geen concrete aanknopingspunten boden voor uitzetting. Verweerder verwees naar recente diplomatieke overleggen en een laissez-passer van 9 september 2008, maar de rechtbank vond deze feiten niet relevant voor het moment van inbewaringstelling en onvoldoende concreet.
De rechtbank concludeerde dat het zicht op uitzetting vanaf het begin ontbrak, waardoor de bewaring onrechtmatig was. De maatregel werd per 12 september 2008 opgeheven. Daarnaast werd een schadevergoeding van €1.260 toegekend voor de onrechtmatige bewaring en werden proceskosten van €644 aan eiser toegekend.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en er wordt schadevergoeding toegekend.