ECLI:NL:RVS:2008:BD6659
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inbewaringstelling vreemdeling en zicht op uitzetting naar China
De zaak betreft het hoger beroep van een Chinese vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank die zijn inbewaringstelling op grond van de Vreemdelingenwet 2000 heeft bevestigd. De vreemdeling betoogde onder meer dat er geen zicht op uitzetting zou zijn omdat de Chinese autoriteiten in 2007 geen laissez-passers aan ongedocumenteerden verstrekten en dat hij niet in staat zou zijn zijn identiteit te staven met documenten.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de vreemdeling op grond van de wet verplicht is actief en volledig mee te werken aan het verkrijgen van verifieerbare gegevens en documenten die nodig zijn voor uitzetting. De maatregel van inbewaringstelling kan ook worden toegepast bij onvoldoende medewerking, om de uitzetting te bevorderen. Hoewel het ambtsbericht inzake China pas na de inbewaringstelling was uitgebracht, is het relevant voor de beoordeling op het moment van uitspraak.
De vreemdeling had verklaard in het bezit te zijn geweest van een identiteitskaart en hukou-boekje die hij bij vertrek had achtergelaten, en er waren geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die hem zouden beletten deze documenten via familie te verkrijgen. De staatssecretaris leverde voldoende inspanningen om de uitzetting te realiseren. De Afdeling concludeerde dat er geen grond was om te oordelen dat uitzetting binnen redelijke termijn niet mogelijk was en dat de inbewaringstelling niet in strijd was met de artikelen 5 en 8 EVRM. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.