ECLI:NL:RBSGR:2008:BG4422
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar China
De vreemdeling, van Chinese nationaliteit en in bewaring gesteld op 24 oktober 2008, voerde aan dat ondanks de afgifte van twee laissez passers door de Chinese autoriteiten geen zicht op uitzetting bestond. De rechtbank stelde vast dat de afgifte van deze laissez passers onvoldoende was om te concluderen dat de Chinese autoriteiten hun gedragslijn hadden gewijzigd. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat het overleg tussen Nederlandse en Chinese autoriteiten geen concrete aanwijzingen gaf voor een spoedige uitzetting.
Hoewel de vreemdeling verplicht is tot actieve medewerking aan het verkrijgen van documenten voor uitzetting, kan hem dit niet langer worden tegengeworpen als ondanks medewerking geen uitzetting mogelijk is. De rechtbank concludeerde dat geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestond en verklaarde het beroep gegrond. De bewaring werd met onmiddellijke ingang opgeheven.
Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding van €1700 toe wegens onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van €644. Partijen werd de mogelijkheid gegeven om binnen een week hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting en er wordt een schadevergoeding toegekend.