ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4673
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag bevestigd ondanks beroep
Eiser, met de Afghaanse nationaliteit, is door verweerder ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege ernstige redenen te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Eiser werkte voor de Afghaanse veiligheidsdiensten Khad en WAD en voerde aan dat hij een significante uitzondering vormde en dat het beleid en ambtsbericht niet zonder nader onderzoek op hem van toepassing konden zijn.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitging van het ambtsbericht van 29 februari 2000 en de verklaringen van eiser zelf, waaruit blijkt dat hij persoonlijk heeft deelgenomen aan activiteiten die de mensenrechtenschendingen van de Khad en WAD faciliteerden. De stelling van eiser dat hij alleen voor een minder macabere afdeling werkte en niet rouleerde, wordt onvoldoende onderbouwd geacht.
Verder is geoordeeld dat de procedurele bezwaren van eiser, zoals de samenstelling van de hoorcommissie en de motivering van het besluit, niet slagen. Ook de beroepen op artikel 3 en Pro 8 EVRM worden verworpen, omdat het risico op een verboden behandeling bij terugkeer onvoldoende aannemelijk is en de belangenafweging inzake familie- en gezinsleven proportioneel is. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de handhaving van de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.