ECLI:NL:RVS:2007:BB0912
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Geen belang bij beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning tijdens ongewenstverklaring
De zaak betreft een vreemdeling die een aanvraag deed voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke werd afgewezen en waarbij hij tevens ongewenst werd verklaard. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning gegrond verklaard, maar de Staatssecretaris van Justitie ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat een vreemdeling die ongewenst is verklaard geen belang heeft bij een beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, omdat zolang de ongewenstverklaring voortduurt, rechtmatig verblijf niet mogelijk is. Dit volgt uit artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in samenhang met artikel 8 van Pro die wet.
De Raad van State vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk. De vreemdeling kan de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegen de ongewenstverklaring aanvechten in een aparte procedure. Indien de ongewenstverklaring komt te vervallen, kan de vreemdeling een nieuwe aanvraag indienen of verzoeken om heroverweging van de verblijfsvergunning.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 19 juli 2007.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege de voortgaande ongewenstverklaring.